alexandervaleton@gmail.com http://alexandervaleton.tumblr.com/

Pagina's

zondag 10 oktober 2010

twee dagen in Uganda

Twee dagen ben ik in Uganda geweest en was diep onder de indruk. Twee dagen lang heb ik hard gewerkt en ben met een aantal mensen echt verder gekomen. Ik denk dat er goede mogelijkheden zijn om ons programma snel op tv te krijgen hier. Gedurende deze dagen merkte ik wel dat wij een beetje ambitieus zijn. Niet alleen vanwege het voornemen om 4 belangrijke afspraken op een dag te plannen, maar ook vanwege het idee dat er in die vergaderingen meteen beslissingen genomen worden en dat je meteen afspreekt een follow up te geven.
Inmiddels zit ik in het vliegtuig terug naar Nairobi. Vanaf het moment van vertrek vliegen we over de duizenden eilanden van Lake Victoria. Met Wouter en Daan, met wie ik eerder dit jaar een memorabel tripje in de Centraal Aziatische Republieken (a.k.a. The Stans, zie eerdere blogs) maakte, besprak ik het een paar maanden geleden het plan om in volgende gezamenlijke reis een rondje Lake Victoria te doen. Toen wist ik nog niet dat ik een paar maanden later aan beide kanten van dat Lake zou werken en het dus in de race om de landenpunten geen goed idee meer vind om hier af te spreken. Maar nu ik er overheen vlieg lijkt het mij geweldig om dit gebied letterlijk op grassroot level beter te onderzoeken. Een vlak meer, duizenden eilanden, op die eilanden dorpjes, en stranden, kleine bootjes die er vanuit de lucht uit zien als dikke vissen. De schaduw van ons vliegtuig op het water reist met ons mee en hoe hoger we vliegen, hoe groter en diffuser die wordt.
Ik was bijna te laat voor deze vlucht hoewel Frank gisteren nog belde dat het een gedoe is bij het inchecken en dat ik mij echt echt op tijd, minstens een uur voor vertrek, moest melden. Dat haalde ik niet, hoewel ik het echt van plan was.

Gisteren ontmoette ik Nathan een jonge producent die mij vertrouwenwekkend over kwam. (we ontmoetten er ook een paar die aanzienlijk minder vertrouwenwekkend waren waar onder een dikkige vrouw in een slangenleren bodysuit die in een lage toon zei: ‘Come... work with me... it will be a success...” Ze ging er nachtclubzwoel bij kijken). Nathan was groot, rustig, bedeesd en wist waar hij het over had. Misschien was nog wel het intrigerendste dat hij, ondanks zijn rust, heel ambitieus over kwam. Ik legde onze plannen en uit en hoewel hij gereserveerd was, was hij geïnteresseerd en stelde scherpe en betrokken vragen en legde uit waarom hij wel, maar ook waarom hij niet onze partner zou moeten worden. Het gesprek eindigde en ik zei hem dat ik graag zijn business partner wilde ontmoeten. Nathan had al verteld dat hij er een heeft, een marketing man die ook programma's op tv presenteert. Een soort live lucky draw waar hij brommers en auto's namens Pepsi weggeeft en dan de winnaar belt om ze te feliciteren (allemaal mensen die helemaal niet verrast zijn, eigenlijk vinden dat het een paar jaar te lang geduurd heeft voordat hij hun nummer intikte... Heel geestig).
Gisteren at ik in het restaurant van Els de Temmerman, de Belgische journaliste die ook ooit voor de Volkskrant schreef maar die wel een te zeer betrokken raakte bij verschillende partijen en clubjes in Afrika en haar eigen leven en de journalistiek naadloos in elkaar liet over lopen. Samen met haar man, een Belgische ex-politicus runt zij nu een lodge in Kampala en een restaurant met het mooiste uitzicht over de stad, over Lake Victoria. Hoewel het een beetje mistig was was het abembenemend om het donker te zien worden. Fraaie rode luchten. Het hotel en het restaurant zagen er uit al een redelijk nieuw Belgisch ding, saai, met dikke balken en veel ijzeren hekken, gedempte kleuren (grijzen en lichter bruinen) weinig spannends aan; zoals een goedkoop hotel; niemand zal zich er aan storen en het is maar voor één nachtje. Het eten was goed en ik sprak met een jonge Nederlandse journalist die mij door de persmijnheer op de Nl ambassade was aangeraden. De jonge Nederlandse journalist woont hier met zijn Ugandese vrouw en hun 9 maanden oude dochter.
Hij is een huis aan het bouwen en voornemens hier nog wel een tijdje te blijven zitten. Er is niet voldoende nieuws hier om een zekere boterham te verdienen en tegenwoordig moeten journalisten hun eigen tripjes betalen om een stuk te kunnen schrijven en dan maar hopen dat de krant of een persdienst het wil afnemen. Hij vertelde over bustochten naar Zuid Sudan en into the Congo. Voor een paar tientjes met de bus omdat een vliegtuig te duur is. Dat klinkt niet als een lekkere comfortabele reis, maar eigenlijk ben ik ook wel jaloers en zou ik misschien wel leuk vinden. Ik zal het opsparen voor het rondje Lake Victoria met Wouter en Daan.
Ik denk dat wij wel samen kunnen werken met onze jonge Kuifje uit Friesland.

Vanmorgen dus nog een tweede afspraak met Nathan en zijn makker die Daniel heet maar J.K. genoemd wil worden. Ik wilde hun kantoor zien. Daar werd ik keurig ontvangen, twee editors waren aan het werk, een cameraman kwam binnen om de spullen te halen voor een shoot. Ik vertelde hen opnieuw over de plannen, over ons ambitieuze idee om niet klein te beginnen en dan langzaam te groeien, maar om meteen groot in de markt aanwezig te zijn. Nahan en Daniel vonden dat wel spannend. ze zeiden de plannen te snappen en er in te geloven en dat ze mee willen doen.
Daniel is een entrepeneur pur sang; hij is een soort Ugandeze Jos Brink, de ideale schoonzoon die allerlei programma’s presenteert die het goed doet bij jong en oud, een beetje hip, een beetje gedurfd en toch o zo aardig. (alleen geen dominee noch homo).
Hun kantoor en studio is in een discotheek die ook van hem is en waar op zaterdagmiddag om 12 uur al mensen flessen whisky zitten te drinken, terwijl er ook nog gedweild en geboend wordt. Het huis achter de disco is te koop en zou ons ‘kantoor’ moeten worden; een stevige villa met uitzicht over een van de vele heuvels van de stad. Geen slechte plek, maar om nou een kantoor in een discotheek te beginnen. Misschien is dat wel heel normaal in dit land.

Vanaf het moment dat ik in Entebbe landde reed ik rond met Robinson een jeugdige man die mij was aangeraden door een oud correspondent. Hij was fluks en verdraagzaam en vond het niet erg om voor stevige dollars drie dagen lang twee Nederlanders over de heuvels van Kampala te rijden en vooral lange uren te wachten. Hij vertelde trots dat hij geleerd had vaak kort te slapen en dat dat netto uitkwam op een makkelijke baan die goed betaalt en genoeg dag en nachtrust. Vanaf de discotheek reed hij mij weer terug naar het vliegveld. Lekker vroeg zodat ik rustig kon inchecken en Franks orders van op tijd zijn kon inwilligen. Het was warm en redelijk druk op straat. Uganda voetbalt vandaag in Nairobi tegen Kenia en vuvuzela’s klonken uit bussen, uit auto’s en uit de ontelbare café’s met tv aansluiting. De weg vanuit Kampala naar het vliegveld in Entebbe 40 kilometer lang en niet zo heel breed. De rijstijl van de Ugandezen is, hoe zal ik het zeggen, onvoorspelbaar. Robinson reed snel, maar niet roekeloos. Ik zat voorin en maakte filmpjes van het verkeer. Halverwege stopte hij voor een stilstaande auto, de auto achter ons deed dat echter niet. Met een stevige klap werd ik tegen het handschoenen kastje gesmakt en de auto schoot vooruit door de rem heen en botste tegen de auto voorons op. stond aan en ik zwiepte weer naar achter en werd zo hard in mijn stoel gedrukt dat de rugleuning afbrak en ik languit lag. In een reflex trok ik mijn knieën op maar we stonden la stil. Het duurt dan 2 seconden voordat je door hebt wat er gebeurde en in die twee seconde stond er een politieman naast mijn raampje die tegen mij riep dat ik reed en dat hij zag dat Robinson en ik van stoel verwisseld waren. Ik had geen idee wat ik zou moeten zeggen en Robinson sprong uit de auto en begon de politieagent heel rustig te vertellen dat dat niet het geval was en dat ik een passagier was en dat hij de chauffeur was. De agent hield nog een tijdje vol en vroeg mij om mijn papieren. Ik kon alleen om een heel rustige toon vertellen dat ik niet reed en dat ik alleen naar het vliegveld wilde. Waarom zou ik gereden hebben en de chauffeur in de bijrijderstoel hebben laten plaatsnemen?
De auto die achter op ons klapte was een grote stevige landcruiser; die had bijna geen schade. De achterkant van onze auto zag er niet zo plezierig uit en de auto voor ons was ook een beetje korter geworden. Uiteindelijk was er alleen blikschade, de scheurde bumpers en natuurlijk een vrolijk oploopje. Het politiekantoor was aan de andere kant van de straat en aanvankelijk stonden er 15 politieagenten om de scène heen mar dat werden er steeds minder totdat er uiteindelijk een man een rapport opmaakte. De agent die mij beschuldigde reed weg op ene brommer over zijn schouder roepend: “It’s ok, It’s ok...”, en dat vond ik toen ook. Ik masseerde mijn nek en voelde eigenlijk alleen dat mijn scheen paars werd van de klap tegen het handschoenenkastje en dat mijn tanden pijn deden, ik heel hard mijn tanden op elkaar geslagen bij de klap.
De brave Robinson was zijn auto kwijt, die lag als de gesandwichte van achter en van voren in elkaar en zijn eerste zorg was mij op het vliegveld te krijgen. Hij regelde een andere auto en vriendelijke chauffeurs. Het gedoe duurde toch bijna een uur en het zou niet meer mogelijk zijn om lekker op tijd op het vliegveld te komen ondanks Franks waarschuwing.
De nieuwe chauffeur reed stevig door en haalde op onverantwoorde wijze auto’s in reed een kilometer of wat over de vluchtstrook en haalde de file voor het vliegveld in, zwaaiend met een een of ander pasje uit zijn raam. Vlak voor de check-in balie stopte hij en ik rende naar binnen, 20 minuten voor het vertrek van het vliegtuig en dus meer dan een half uur te laat. De check in lady was net haar bureau aan het opruimen en ik gooide mijn ticket en mijn paspoort op haar tafeltje en zij zuchtte vermoeid... ‘We have already booked someone else in your chair, sir...”. “I was in a traffic accident” zei ik, “I can proof that...” en liet haar foto’s zien van de kapotte auto. Zij opende haar computer en zei alleen: “Yes, that is proof, hope you are OK, Sir...” en ik zei; “Yes, I will be OK if you can still give me a seat on that flight” waarop zij allen zei: “Yes, you will be OK, but hurry”.

Met een boarding pass in mijn hand rende ik door de douane, vulde krabbelend een formulier in, werd het land uit gestempeld, rende langs (ja langs) de beveiligingspoortjes, en de trap af naar de landingsbaan, daar werd net de rem van de trap naar het vliegtuig weggehaald om dat ding weg te rijden. Ik rende naar boven en de stewardess keek eerst op haar horloge en toen op mijn boarding pass en zei: “Very welcome sir, you’ll be seated here”. Ze wees naar de eerste stoel vooraan. Ik had nog niet gezien dat de dame bij de in check mij op een businessstoel had gezet. Ik zeeg neer en zuchtte, deed een paar seconde mijn ogen dicht en hoorde toen de vriendelijke stem van de stewardess: “You care for champagne?”
Ik vlieg nu over Lake Victoria en nip Champagne, masseer mijn nek en kijk uit over de wereld onder ons, schrijf een verhaaltje en glij door de lucht naar Nairobi.

donderdag 30 september 2010

te lang in Amsterdam

Eigenlijk wilde ik helemaal niet over perikelen schrijven, maar het bloggen schept verplichtingen (ik zie het aantal lezers dramatisch afnemen... wat wil je, er staat al weken niets nieuws te lezen). Ik wilde schrijven over leuke, mooie enthousiasmerende dingen, bijzonder inzichten en licht ironische constateringen doen. Ik ben al een paar keer begonnen met zo'n vrolijk stukje, maar dat past helemaal niet in mijn state of mind. Voel me als een vlinder die vastgeklonken is aan de zware steen, wel zinloos klapwieken, maar niet opvliegen.

Ongeveer drie weken geleden kwam ik terug uit Oost Afrika en ik had besloten daar een tijd (een paar jaar) te gaan werken. Ik kwam naar Nederland om een koffertje op te pakken en naar Kenia af te reizen. Ik wilde op 1 oktober daar beginnen.
Morgen is het 1 oktober en ik ben nog in Nederland.

Ik verdrink in allerlei dagelijksheden en wordt vastgehouden door dingetjes. De verkoop van mijn BV, de aanbieding van de KLM, wat moet ik waar op gaan slaan, de gezondheid van de familie, de liefste en de lieve aandacht van vrienden... het zijn allemaal redenen om een tikkie later weg te gaan, om steeds de tocht naar Kenia een dagje later te plannen. Uitstel. Het wordt allemaal stroperig, rennen door de modder. Het gevoel om flux effe een paar jaar in Afrika te gaan wonen verandert in een lang afscheid. Woorden als 'emigreren', 'uitschrijven' en 'long term' maken het baksteenzwaar en dan wil ik niet. Maar het is onmogelijk om die woorden te vermijden. Zo heet het nou eenmaal. Ik kan makkelijk bedenken hoe ik het zou willen, maar familie, vrienden, de gemeente en de belastingdienst denken daar heel anders over. Met hen moet je afspraken maken, moet je aan plannen voldoen. Bij dergelijke exercities kan het niet anders dan een plan te maken, de stappen in dat plan zorgvuldig uit te voeren en er zo min mogelijk van af wijken. Maar... tussen droom en daad....
Omdat het toch een beetje (en in sommige gevallen Heel Erg) emotioneel is ben ik nu al weken in een bedrukte stemming. De fluxheid is ver weg. Ik ga op zoek naar de vlinderlichtheid.

Weggaan is leuk, is spannend. Dat heeft te maken met nieuwe horizonten, nieuwe mogelijkheden; een nieuwe pagina in het boek, een blanke lei, nieuw licht, verse lucht. Het heeft iets fris en energieks. Achterlaten is bitter en heeft iets tragisch. Afsluiten, opbergen, doodlopende wegen, onneembare kliffen. Het heeft iets mossigs, vochtigs en ouds.

Het is onmogelijk alleen het leuke en frisse te zien. Het kan niet, hoe graag ik dat ook zou willen. Een ik kan wel duizend keer roepen dat ik binnen 8 uur weer in nederland ben, maar dat geldt niet. Kenya is best ver. Uit het oog uit het hart? Ik kan duizend keer roepen dat skype, mail en telefoons prachtige hulpmiddelen zijn om de afstanden te verkleinen, maar toch is het ver weg.

Toen ik zo'n 15 jaar geleden naar Azie vertrok maakte ik nooit echt een keuze van: Nu ben ik weg. Ik landde daar een keer, bleef er eens wat langer, kwam dan weer naar Amsterdam, deed hier nog een klusje, maar was daar ook bezig en langzaam maar zeker kwam het gewicht meer daar te liggen. Huurde daar een huis en na verloop van tijd verhuurde ik het mijne in Amsterdam en verkocht dat later. Er was geen duidelijk moment van vertrek, er waren er tientallen. Nu is dat er wel.

Ik zie uit naar het werken daar, zie uit naar de nieuwe uitdagingen en zie uit naar de verse energie van een nieuw continent. Zie uit naar het uitzetten van bakens, van geursporen en het in de vingers krijgen van al het nieuwe.

Het pakken van je koffer is een ontnuchterend werkje en dat moet je snel en gewiekst doen. Voor je het weet pakken de donkere wolken zich samen boven de polder.

vrijdag 10 september 2010

Ian Dury in Nairobi


Vorige week zat ik in een taxi in Nairobi. Ik had gewerkt en was moe, had een hand vol indrukken te verwerken, maar voelde mij tevreden.
De radio in de taxi stond aan en meestal vraag ik of die uit mag. Dat was ik nu vergeten. De chauffeur zat vrolijk te knikkebollen in de file en ik was goedgeluimd en vond alles best. En dan brak het volgende nummer aan op de radio: 'Hit me with your rythm stick' van Ian Dury and the Blockheads. Ik werd er intens vrolijk van en intens triest. De vrolijkheid betrof het nummer zelf en de grandioze tekst (zie hier onder). De triestheid kwam alleen door de nietigheid van het bestaan, de lulligheid van het leven en de vergankelijkheid van de herinneringen, de eeuwig durende file in Nairobi hielp daar ook bij.

Ik was ooit 14 toen ik de met mijn fiets naar Alkmaar ging (6 kilometer dagelijkse tegenwind) en de trein naar Amsterdam nam. Ik had geen geld had en liep van het Centraal Station naar het Leidseplein. Daar vroeg ik aan passanten waar dat Paradiso toch zou moeten zijn en voor de deur van de tempel van de popmuziek kocht ik een kaartje en wandelde naar binnen. Ik was op een missie, geen idee meer waardoor ik geinspireerd was. het zou best Ad Vissers TopPop geweest kunnen zijn, maar misschien had ik de LP ('new boots and panties') van de man al gekocht.
Toen in Paradiso zag ik mijn eerste echte concert: Ian Dury and the Blockheads.

Het was in de hoogtijdagen van de punk, in de dagen dat popmuziek en een eeuwige verslaving aan enge verdovende middelen naast elkaar lagen, de dagen dat alles stuk moest en ik een button op mijn jas had ('I'm a mess'... geen idee wat dat betekende). Daar trad een kleine epileptische manke lunatic op die een volslagen dada-istische act opvoerde. Als 14 jarige snapte ik dit niet, maar was wel gefascineerd. Natuurlijk ook door Chaz Jenkel(?) die een solo toeterde op 2 saxofoons tegelijkertijd. Dat was iets tastbaars.

Ik weet nog dat ik naar buiten kwam en dat mijn wereld veranderd was. Er was ruimte gekomen. Zoals ik later ook bij het Festival of Fools ervoer en bij andere Eerste Ervaringen uit die tijd (de eerste keer vrijen, eerste keer slapen op het strand, de eerste keer dronken, het eerste zelf verdiende geld, het eerste jointje, de eerste keer Celine lezen... ja het was een drukke tijd toen).

Nog steeds is Ian Dury een held, zijn dood doet daar niet aan af, behalve dat de stroom merkwaardige liedjes is afgenomen. Maar hij heeft er genoeg gemaakt en blijkbaar vond de programmeur van K24 radio in Nairobi dat ook.

Dat een zo'n liedje, in een file in Kenia zo'n train of thoughts teweeg kan brengen is bijzonder...echt.Het is bijzonder jezelf ineens te zien als 14-jarige, niet een echt sexy leeftijd. Maar toch was ik daar toen en ben de hele omgeving vergeten, behalve dat Ian Dury zong en mij tot een post-puber maakte.

toch een fraaie link naar dit wonderschone nummer:

http://www.youtube.com/watch?v=u6idHmoe5EM

nu nog de tekst: Echt zeer bizar eigenlijk niets aan, maar ik droomde weg en dacht dat die kleine mankepoot op al die plekken geweest was die hij noemde.


In the deserts of Sudan and the gardens of Japan
From Milan to Yucatan, ev'ry woman, ev'ry man

Hit me your rhythm stick, hit me, hit me
Je t'adore, ich liebe dich, hit me, hit me, hit me
Hit me with your rhythm stick
Hit me slowly, hit me quick
Hit me, hit me, hit me

In the wilds of Borneo and the vineyards of Bordeaux
Eskimo, Arapaho, move their body to and fro

Hit me with your rhythm stick, hit me, hit me
Das ist gut, c'est fantastique, hit me, hit me, hit me
Hit me with your rhythm stick
It's nice to be a lunatic
Hit me, hit me, hit me

Hit me, hit me, hit

In the dock of Tiger Bay, on the road to Mandalay
From Bombay to Santa Fé, o'er the hills and far away

Hit me with your rhythm stick, hit me, hit me
C'est si bon, mm? Ist es nicht? Hit me, hit me, hit me
Hit me with your rhythm stick
Two fat persons, click, click, click
Hit me, hit me, hit me
Hit me, hit me, hit me - hit me, hit me ....

woensdag 8 september 2010

regen in amsterdam

de foto's bij dit blog heb ik allemaal netjes geleend (gejat) van andere blogs, van andere mensen dus. Thanks!


Samen het Michael at ik een smerige pizza. Kan het decadenter: klagen over te veel truffel in de sla. Het ging niet om de truffel; het was goedkoop chemisch truffelaroma. Beide wandelden we naar buiten met een opgeblazen gevoel. Alsof je een potje MSG hebt leeg gelepeld. Heel onplezierig. Het beste is dan de boel zo snel mogelijk te verbranden en dan gaan twee veertigers een ommetje lopen door een park.

Het regende in Amsterdam, het was heiig en warm. Het vocht kwam uit de hemel en van het gras van het Vondelpark.

Rond negen uur is er nog een schijnsel van licht in de lucht, tussen de wolken door was er een diepblauwe kleur. De platanen in de lange laan van het park druppelden, maar het kon ook regen zijn. Drie mevrouwen kwamen kwebbelend en joggend voorbij, een hond met een lampje aan zijn halsband piste tegen een boom en wij wandelden een rondje. Langzaam kwam er lucht in de gelederen en de druppels van de bomen werden nu echte regen. Via een brug, donker water met een kleine reflectie van de lucht, via een bochtig straatje en de overkant van het park naar de muziektent met de nieuwe bestrating (er staat een boom midden op het pad... oppassen als je dronken zonder licht de doorsteek door het park wilt maken). Daarvandaan toch nog even naar het terras van Vertigo onder het aanstaande ex filmmuseum. Van onder een parasol bekeken wij de schimmen die zich, als in een film noir, met natte ondergrond en dramatisch tegenlicht, door het park verplaatsten. Het gesprek ging van werk naar ouders, van school en kinderen naar de toekomst, van plannen naar de dingen die zijn zoals ze zijn. Half speculerend op een betere toekomst, half rekening houdend met de gegevens. De eeuwige banaliteit van de werkelijkheid, de noodzaak van het dromen.
Het kinderlijke enthousiasme om onze eigen luchtkastelen en de grote schoenen waarmee we stevig verankerd zijn in hier en nu. En de blikken gleden weer af naar een groepje Duitse toeristen die het wirklich toll hadden in Amsterdam, ondanks de regen, naar een vrouw die joggend Vertigo in ging, haar jas losknoopte en joggend de wc in rende om een paar minuten later, opgelucht weer naar buiten de joggen. (hoe zat ze daar?) Het werd donkerder. Onze gesprekken liepen ten einde. We wandelden terug langs de manege en wierpen een blik naar binnen. Vier dampende paarden renden in stilte hun rondjes, op hun ruggen stille geconcentreerde mensen.

Michael belde met een editor over een klusje van morgen. Ik had nog een paar punten die ik met hem bespreken moest; saaie werk dingen. En zo verdween het lucide Amsterdamse regenachtige in de dagelijkse agenda van morgen, overmorgen, projecten, deadlines afspraken en rekeningen.

Als je dingen afsluit merk je ineens dat heel gewone dingen een zwaardere lading krijgen, dat het gewicht komt te liggen op schijnbaar normale zaken en dat je dingen doet die je normaal niet doet (wandelen in de regen) maar die wel heel mooi kunnen zijn. De accenten komen anders te liggen, je merkt dat ze verplaatsen, maar je kan onmogelijk vertellen waar ze terecht gekomen zijn.

maandag 30 augustus 2010

Fietsen door de Slum (fout woord)

Vorige week schreef ik een blogje over het zoeken naar en Gym in Dar es Salaam, Tanzania. Het ging daar niet over, maar het kwam er wel veel in voor. Ik kreeg nogal veel reacties, mensen die bang zijn dat ik heel veel kilo’s zwaarder geworden ben en langzaam vervet omdat ik geen gym gevonden had. Voor hen de troostende opmerking: ‘spieren zijn zwaarder dan vet… ik kom inderdaad weer zwaarder terug. Heb gym gevonden, heb gezweet en getraind, en vond er, zoals gewoonlijk, geen donder aan.’ Maar de dag er na voelde ik me wel beter, steeds weer.

Afgelopen week heb ik mijn klus in Dar es Salaam voorlopig afgerond en ben doorgereisd naar Arusha nabij de Keniaanse grens. Woensdag reizen F. en ik verder en zijn dan nog en paar dagen in Nairobi. Er is daar een Afrikaanse tv beurs. Ben heel benieuwd hoe anders het is dan de tv beurzen in Europa.

De dagen in Dar begonnen een beetje op de tast met voelsprieten, met eerste initiële reacties, een eerste kijk in de keuken en klungelig heen en weer rijden met een auto met een autistische chauffeur. Op een één of andere manier kon ik geen grip op die stad krijgen. In veel steden lukt het wel om bakens te herkennen, om een grid van de wegen te snappen, en steeds te weten waar Noord en dus Zuid is. Door de merkwaardige ligging van Dar lukte dat daar niet. Net te noorden langs de kust is er een schiereiland in zee, op dat schiereiland (niet te veel bij voorstellen) stond ons kantoor en ook de rest van de luxe villa wijk. Doordat de wegen niet recht lopen maar kronkelen langs bergen, langs de zee, en langs oude gebouwen of dingen die er waren voordat er wegen gemaakt werden, raak je de oriëntatie kwijt, doordat de zee dan weer links en dan weer rechts van je is weet je niet meer waar het noorden is. Echt belangrijk is dit niet, maar het idee om een stad, in elk geval geografisch te begrijpen, helpt wel bij het accepteren en begrijpen er van.
80% van het werk deed ik op kantoor en aan het kantoor vast was een klein appartement dat ik bewoonde. Er was dus ook niet veel noodzaak de deur uit te gaan. Maar op een gegeven moment vond ik het toch echt te dol. Via via hoorde ik van cycletours door de stad. Ik reserveerde en meldde mij ’s morgens, met een paar mensen die ik slecht kende, bij een shoppingmall. Daar zat een benige jonge man met een indrukwekkende bos haar in een theedoek gewikkeld met een bosje fietsen. De fietsen zagen er puik uit, de bandjes vol lucht, en hij vertelde schematisch wat we gingen doen; een kleine 30 kilometer door de slums fietsen.
Er zijn nogal veel slums in Afrika en in alle landen verschillen die van kleur gevoel, ontstaansgeschiedenis en waarschijnlijk ook van toekomst.
Nou ben ik wel eens eerder in een slum geweest en die zijn over het algemeen niet opbeurend. Tegenwoordig mag je niet meer slum zeggen, maar heet het ‘informele stadsuitbreiding’. Valt waarschijnlijk in dezelfde Amerikaans gedreven correctheid waarmee ook ‘eskimo’, ‘zwarte’, ‘indiaan’ en nog wat termen (voorlopig) in de ban gedaan zijn. Slum mag dus ook niet meer.
Goed, wij reden door de slum en eigenlijk vond ik het allemaal wel netjes. Vrolijke kinderen die beschaamd lachten, ze speelden met een lekke bal. De straten waren niet verhard, maar dat geld voor wel erg veel straten op dit continent en de boel was redelijk schoon, redelijk aan kant, redelijk kalm en zonder heel veel smerige vliegen en vooral; de lucht was schoon. Een van de plezierige dingen van Dar is dat er niet zo veel industrie is en dat het aan de kust ligt. Het waait er vaak schoon en de lucht wordt niet zo intens vies. Zo’n slum, met smerige riviertjes waar uitbuikende kinderen zich in wassen terwijl hun broertje er een paar meter verderop in staat de zeiken is een weinig hoopgevend gezicht. Een ander ding was dat die slums hier niet zo eindeloos waren. Van de ene buurt pedaalden we naar de volgende, we keken bij een gezin thuis; 17 mensen in 4 kamers, en iedereen lachte erop los, we kregen thee en een vettige verse boterham, vader zat op de stoep schoenen te lappen, zoonlief oefende engelse woordjes en het beeld was eigenlijk wel vredig. We fietsten door en kwamen bij een mini coöperatie; de ene man levert koffie bonen, de ander heeft en vuurtje, de derde een pan en de vierde kan heel goed roeren. Dan is een jongen die de versgebrande koffiebonen heel mooi kan verpulveren en een mevrouw voor de finishing touch: zij kookt het water en giet dit over de verse bonen. Resultaat: een grote pot koffie; daarmee gaan ze de markt over en iedereen die een kopje wil krijgt een schoon kopje, een bodempje drabbige koffie en de makers, krijgen allemaal een paar centen. Het economische model is schimmig; ik ben erg voor outsourcen, maar niet tegen elke prijs; ik denk dat een iemand dit klusje best in een kwartiertje in zijn eentje had kunnen fiksen; maar dat gaat in tegen het algemeen belang dat er zoveel mogelijk mensen een bammetje kunnen verdienen en waarschijnlijk zou de geldverdiener netto toch tegen het onderhouden van de andere makkers aan lopen. Dan kan je ze maar beter een baantje geven en zelf ook in de schaduw gaan zitten wachten, zonder de status van ‘het baasje met personeel’, maar gewoon met je vrienden, je partners in crime.

Zo fietsten we van de ene wijk naar de volgende, de ene moslim, de ander christen, de ene heel arm, de andere iets minder arm. Op de markt zagen we wat mensen eten en werden daar niet gelukkig van, nogal veel vliegen (hier wel). Een paar staten verderop zagen we hoe de zak van Max geleegd wordt; de spijkerbroeken uit Denemarken, Oostenrijk en Nederland worden gewassen, gerepareerd en verkocht. Puike broeken voor een paar Euro’s. Het zou nog best en business model kunnen zijn om ze zelf hier weer op te halen en... nee: focus.
Rijen en rijen winkels met spijkerbroeken, t-shirts, sleetse pakken, specialisten in witte overhemden en ik kon mij die goedbedoelende tante in Zwolle, Zutphen, Zaandam en Zierikzee voorstellen die, ach en wee knikkend en in gedachten bij dat kleine zwarte mannetje met die dikke buik de oude kinderkleren in een Zak van Max propt. Ze weet niet dat het keiharde handel is op een levendige markt in Tanzania. Belerende speakers, sjansende meisjes, een paar miljoen vliegen, handige afdingers en een paar blanken op mountain bikes.

Na een paar uur kwamen we weer terug bij de shopping mall. Ik was blij dat ik andere delen van de stad gezien had dan waar ik tot nu toe was geweest was, maar had ook een vreemde smaakt in mijn mond. Geld betalen, (nee, het was niet veel, maar toch...) om naar mensen te kijken die geen geld hebben. Je te vergapen aan het gebrek aan van alles; geen wegen, geen water, geen scholen, geen toekomst... je kan bijna niet anders dan ‘oh gossie’ zeggen en er meewarig bij kijken bij de aanblik van de endeldarm van de samenleving. De vergelijking is cru, maar het had toch iets van een dierentuin waar je naar de ijsberen kijkt en denk: tjonge klein en smerig hokkie, hmmm ziet er niet zo leuk uit, en dan ijsjes likkend doorloopt naar de wolven die gefrustreerd hetzelfde traject draven, je denkt: sukkels, en de vogels hebben last van uitvallende veren, de giraffe kan niet door de deur en aan het eind van de dag sta je buiten heb je een smakt centen uitgegeven en denk je: ”wat een fantastische dag; lekker veel gelopen ook”.

Toen we fietsten vroeg ik mij af: deze slum is niet heel prettig om in te wonen, maar is echt veel minder erg dan die ik Kenia, in India in Brazilië... Deze jongen hier heebn het niet lekker, maar die mensen elders... dat zijn verwarrende gedachten: Zo’n gevoel hoor je niet te hebben als je de slums uit komt en weer in de airco auto naar huis rijdt, de chauffeur een paar centen geeft, biertjes koopt bij de supermarkt en ’s avond fantastische pizza’s eet bij een Italiaanse joint aan de kust. Dit soort gedachten passen niet in het beeld als je gewapend met een fles wijn naar een feestje gaat, ’s nachts hossend door een discotheek stuitert en de volgende dag toch maar niet dat boottochtje gaat maken omdat de goedkope wijn voor een klotsende kater zorgt. Die werelden passen niet bij elkaar en toch zijn ze hier maar een paar meter bij elkaar vandaan. Het is een mind game om die dingen toch op elkaar aan te laten sluiten.


Effe wat anders, iets heel anders:

De afgelopen dagen zijn er ineens allemaal mensen die ik ken overleden. 3. Nou staat ‘de dood’ in Afrika in het algemeen dichter bij ‘het leven’ dan bij ons, maar deze doden die te betreuren waren, waren allemaal Nederlanders die er ineens, als donderklap bij heldere hemel, mee ophielden. Op zich zijn het 3 mensen die ik een beetje tot redelijk ken, maar die ik wel allemaal al heel lang ken.
Ik zal er, om het bruut te zeggen, geen minuut minder om slapen, maar toch merk ik dat ik de hele dag aan de doden, de nabestaanden, de vrienden en vooral die kleine kinderen die ze achterlaten, denk. Ik merk dat ik er toch narig van wordt, en weet dat mijn narigheid een kruimeltje is in vergelijking met het eindeloze leed dat de nabij-en is aangedaan door het verdwijnen van de lui.
Het idee dat het ineens zomaar voorbij kan zijn is gruwelijk, en toch ook wel weer comfortabel. Dat geldt natuurlijk vanuit de optiek van de dode. Voor alle anderen is het wel heel erg anders.

Zal ik nog een kleine speculatie loslaten op... Nee, deze keer niet.

donderdag 19 augustus 2010

werk, gym en eten...

(Het internet is te traag, ik kan geen foto's uploaden, maar er staan er wel een paar op mijn Facebook pagina. Ik breek de belofte van mijn vorige blog... ooit, ooit, ooit ga ik jullie gek maken met alle plaatjes)


Ik ben nu ruim een week in Tanzania en heb nog geen reet gedaan. Ja, op kantoor wel, en dat heeft ook echt wel met dit land te maken, maar dat blijft toch een vrij abstract décor. Een huis in een tuin.

Elke ochtend komt de crew met een verse vangst van beelden binnen en gezamenlijk bekijken we de editie van gisteren. Dan zie ik een glimps van wat we maken en daarmee van dit land. Het is in het Swalili en ik ken dat nog niet. Echt tijd om om me heen te kijken is er nauwelijks geweest. Het ligt natuurlijk niet alleen aan de tijd, maar ook aan de locatie waar we zitten (we buitenwijken stevig achter een dikke muur en een ondoordringbaar hek) en aan het gebrek aan een auto. Er is een chauffeur met en auto, maar dan moet je zeggen waar je heen wilt en dat weet ik niet. Je kan moeilijk zeggen: doe maar wat leuks. Ik weet zeker dat ie dan schaapachtig gaat kijken.

Ik wilde laatst naar een gym om iets te doen tegen veel zitten, vet eten en regelmatig cafébezoek. Niet alleen hier, dat begon al in NL. Dus zei ik tegen de chauffeur: breng me maar naar een gym, nee, liever, breng me naar een paar gyms, dan kan ik zien welke ik wil voor de komende dagen. (dit soort plannen begint altijd fanatiek, ik weet beter, maar denk dan toch dat ik de leukste, beste, schoonste en bijzonderste gym wil hebben waar ik dan heel vaak naar toe wil gaan). De chauffeur zei: “Colloseum?” En ik zei: “wel ja joh, Colloseum!” We stopen bij een hotel met nutteloze pilaren en een glanzende annex; vanaf de straat waren de gepoetste toestellen zichtbaar en zag ik er schrikbarend weinig mensen. Binnen bleek al snel waarom. Men wilden $21 hebben voor een beetje hardlopen en ijzer trekken. Ik ging weer naar de chauffeur en vroeg hem om de volgende optie. Hij keek blanco voor zich uit en in mijn gedachten ratelde een paar scenario’s langs.
1- er is hier maar een gym, die mensen zijn hier niet zo gek als in Europa en de rest van de wereld.
2 – hij is bezig een rijtje gyms in een goede volgorde te zetten zodat hij een handige route kan kiezen.
3 – hij heeft niet door dat ik naast hem ben komen zitten.
4 – Hij denkt: een gym is een gym en wat moet je nou met de ‘volgende gym’.
5 – hij weet wel dat er andere gyms zijn, maar weet ze niet te vinden.
Dus ik vroeg: ‘what is wrong?’ Hij startte de auto en op de straat zei hij: ‘left or right?’ ‘I don’t know.’ zei ik en hij reed naar rechts, blokkie naar links, tweede rechts, ik herkende de buurt en hij reed naar mijn huisje hier. Ik vroeg hem: “Is this a gym?” En hij haalde zijn schouders op. Dat was het voorlopige einde van het verhaal.

Met mijn collega hier had ik bij de QBar een biertje gedronken en ik zei tegen de chauffeur: ‘Breng me maar naar de Qbar, dan ga ik daar eten”.
Bij die bar stond een nogal grote mijnheer met een heel klein hoofd. Hij stond bij de deur en keek van onder een imposante frons door mij heen. Dit soort mijnheren moet je te vriend houden; hij is er om mensen buiten de deur van de uitspaning te zetten en misschien, misschien, mocht het een keer fout gaan, is ie iets zachtzinniger als je een praatje gemaakt hebt en een hand hebt gegeven. Dus stelde ik mij voor (frons) maakte een compliment over zijn brede schouders en zijn fitte uitstraling (frons) en vroeg hem, verklarend dat ik new in town was, of hij mij misschien kon adviseren over de goede gym. Hij keek mij van top tot teen aan (kleine glimlach) en zei: ‘Colloseum?’ En vanuit de grond van mijn hart kon ik zeggen: “Nou, dat vond ik een beetje een ballentent...” (grotere glimlach) en hij zei dat er over na zou denken.

De QBar is echt helemaal niets bijzonders. Zoals de QBar zijn er in iedere stad op de wereld equivalenten. (Ik kan me zelfs voorstellen dat er in iedere stad op de wereld wel een cafe is dat zo heet). Je komt binnen, goedkope bakstenen architectuur, tafels en stoelen zodat een blind paard geen schade kan aanrichten; allemaal vastgeketend en van gelast staal. Eerst een paar tafels dan een kleine ophoging (een halve trede) dan nog wat tafels. Links achter een biljart met een lamp van de sponsor (bier of sigaretten) rechts achter een lange bar met flessen er achter en hopeloos vrolijke bartenders die handen willen geven alsof je vroeger ook al op zijn kinderpartijtje kwam, long lost friend. Aan de bar is de scène verdeeld in twee kampen. Rechts zitten mannen en vrouwen. Veel witte mannen met uitsluitend zwarte mevrouwen, links de zwarte mevrouwen die graag naar het andere kamp over willen lopen maar aan wie het witte alibi ontbreekt. Daar zijn ze mee aan de slag...
Aan de tafels zitten mensen met allerlei verschillende afkomsten. Die zijn af te lezen aan de kleren. Grofweg zijn er 12 categorieen. (he, ik ben hier pas een week, ja? Laat mij effe generaliseren...)

Mannen:
1- de locale zwarte mijnheer die een glaasje komt drinken; keurig gesoignerd, netjes gekapt, mooi pak of overhemd met broek in plooi. Leuke ceintuur ook.
2- de locale hipperd: sportkleren, geestig haar en vrolijke kleurtjes, het tingelt tangelt en beweegt soepeltjes.
3- de oudere buitenlander; de reiziger heeft een afritsbroek. Full stop.
4 – de oudere buitenlander; de expat is netjes gekleed, beetje casual (polo en spijkerbroek) Laat niet zien, nergens, dat ie al 25 jaar in Afrika woont en 12 talen spreekt. Dit is de professional NGO die zich overal aanpast, en nu in de city’s en dus the city look doet. In de bush ziet ie er anders uit. (Blauwe plekken van de verrekijkert)
5- De jonge reiziger: volgehangen met ‘Made in China’ Afrikaanse dingetjes, lekker veel kleuren, open schoenen en een slonzige slepende tred. Vaak iets baardachtigs rondom kinnebak.
6- de jonge expat; zie oude expat, maar dan met minder kennis en meer bravoure. Tanzania is geen belangrijk land voor business, dat moet je heel vroeg in je carrière gedaan hebben anders ben je een sukkel. Deze jonge jongens hebben veel geld te verbranden. Zo’n Qbar leeft hier van.

De dames
(Gaan in omgekeerde volgorde)
7- de jonge expat: iets te dikke billen, iets te zelfbewust. Best wel mooie kleren (niet hier gekocht) veel lagen flinterdun textiel. Futloos haar. Eigen kleine 4x4 voor de deur.
8- de jonge reiziger: India style (hobbezak en verwassen) met reggae kleurtjes en haar in ingewikkelde namaak nonchalante vormen, geen schoenen of iets heel opens qua sieraden aan tenen. Grappig ruikend.
9-oudere expat; eigenlijk zijn dit weer twee categorieën; de vrouw van de werkende man of de werkende vrouw: qua kleding redelijk identiek, maar er is een strijd gaande om de status. De tweede wil niet verward worden met de eerste en laat dat zien door veel telefoons en agenda’s. Verder: veel dunne laagjes, broek tot net boven de enkels, lage nette schoenen. Verzorgd haar, polo zonder mauwen (de gruwel!!)
10- oudere reiziger; afritsbroek en gestreken mouwloos shirt, designbril aan touwtje (waarom zou je er twee nemen) sesible shoes, handig haar, geen sieraden (eng land, stond in het boekje)
11- de locale hipperd; netjes, een beetje glitters, lage schoenen. Verzorgd maar niet uitbundig. Is hier samen met een man. Rookt absoluut niet.
12- the working girls: Haar: zo veel mogelijk, lekker hoog maar zonder kroes. Schoenen: zo hoog mogelijk. Buik: bloot. Kleren: schreeuwend, glitters, toeters en bellen. Make up: heeft u nog meer kleuren? Rookt volop.

Terwijl ik deze categorieën maak bedenk ik mij dat dit overal op de wereld zo is (op de kroes na) en dat er meteen heel veel mensen uitgesloten zijn. Er zijn hier nogal wat Indiers, niet in de Qbar, maar wel in dit land. Die passen niet in deze lijst. De Chinezen komen er ook niet in voor, terwijl die hier weldegelijk zijn.

De QBar heeft een vrij groot scherm, daar is een voetbalwedstrijdje te zien. Iets brits; ook overal op de wereld hetzelfde. Overal op de wereld kunnen we Wolverhampton Wanderers tegen Fulham zien verliezen. De families gaan weg als het voetbal begint. Komt dat omdat de lichten uitgaan (zodat het voetbal beter te zien is) of omdat de tv thuis beter is, of omdat het tweede deel van de avond in gaat dat niet voor kinderen geschikt is?

Ik at grilled scampies en dronk een glaasje Kilimanjaro bier. Precies toen dat op was kwam de zwaarlijvige getrainde bouncer met een papiertje. Daarop stond een lijstje van de gyms in Dar es Salaam. Het was in een kinderlijk handschrift geschreven. Je wordt als bouncer niet aangenomen om je sierschrift. Ik bedankte hem overdreven vriendelijk en vroeg om omschrijvingen en pende die erbij. Klonk veelbelovend allemaal.

Buiten stonden er jongens te wachten bij de auto’s. Ook dit is overal op de wereld hetzelfde. Jongens die een paar stuivers willen hebben omdat ze op je auto gepast hebben maar die niet te vinden zijn als er in ingebroken is, of als de auto ineens weg is. Een groot verschil met iedere andere plek op buiten het Swahili taalgebied is, dat deze jongens hier rode jurken dragen en erg lang zijn en heel hoog kunnen springen. Massai heb ik hier alleen gezien als parkeerbeheerders of wandelend door de stad alsof ze van een carnavalsfeestje afkomen. Ze zijn nogal opvallend.

Ik liep naar buiten zocht de auto met chauffeur en reed naar mijn woonst.
Ik gaf hem het briefje met de namen van de gyms en de vraag of ie uit kon zoeken waar ze zijn. Vandaag vroeg ik weer eens of ie ze al gevonden had.
Hij zei : ‘yes yes yes’.
En bedoelde: ‘briefje? Welk briefje!’

Morgen ga ik met hem op pad om de gyms te vinden. Ben benieuwd.