alexandervaleton@gmail.com http://alexandervaleton.tumblr.com/

Pagina's

Posts tonen met het label Dar es Salaam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dar es Salaam. Alle posts tonen

zondag 28 augustus 2011

tanja's laatste dag


omdat het zo'n fraaie foto is
de verslagenheid van de crew is zichtbaar

zondag 9 januari 2011

Immigratie en Zuid Sudan...


Gisteren was mijn laatste dag in Dar, tenminste voorlopig. Ik heb de afgelopen week vrij veel gedaan en lekker inhoudelijk gewerkt. Het werken met een team is toch veel leuker dan in je eentje. Het werken aan iets concreets is lekker helder en als ik daar ben kan ik ook een verschil maken. Dat is ook leuk en het voelt als nuttig.
Alle dingen die ik in werking had gezet moesten
vrijdag naadloos in elkaar passen, maar rond lunchtijd kwamen de heren en dames van de immigratiedienst binnen. Die wilden van iedereen paspoorten en werkvergunningen zien. Dat leverde veel gedoe en onrust op. Toen wij op school zaten zochten wij altijd naar een onregelmatigheid in het vaste patroon. Of het nou in het weer zat, in een gebroken raam of een gek wordende leraar, dat soort verzetjes hadden maar een doel: vrij. Zo leek het ook met de immigratiemensen te werken; zij waren het verzetje en toen ze de deur uit waren na 3 uur babbelen waren alle trouwe medewerkers ook weg. Dus de planning van de vrijdag waarop alles in elkaar zou moeten vallen verviel en op zaterdag zat ik in mijn eentje op kantoor om de boel in elkaar te zetten en hoewel het niet 100% goed is, is het en hele verbetering. Ons tv programma daar is weer opgefrist en als de braverikken op kantoor niet geen muiten dan is het voor de komende maanden weer in orde.

Zaterdag was dus ineens een werkdag geworden; ik was van plan ‘iets’ te gaan doen, wist nog niet wat, maar in elk geval iets wat ik nog nooit gedaan had. Dat kwam er niet meer van, plannetje in duigen. Rond een uur of 5 was ik weer in het hotel terug en moest daar een ellenlange afrekening maken. Ondertussen sprak ik met een Ier die ook in dat hotel zit. Die vertelde dat hij er gek van wordt dat hij altijd alles moet controleren in Tanzania. Dat zijn personeel, ook mensen die al 15 jaar bij hem werken, nog steeds alles proberen te jatten, (en dat hij ze zonder er lang over na te denken dan meteen ontslaat... 1 maand in dienst of 15 jaar; hopla de deur uit). Ondertussen werkte ik mij door de rekening heen; een week kost en inwoning, hoe moeilijk kan het zijn? Maar ik vond 6 dikke fouten, die gek genoeg allemaal in het voordeel van de ander waren. De Ier vertelde dat zijn personeel ongeveer 2 keer per jaar de immigratiedienst op hem afstuurt; telkens weer hopen ze dat zijn papieren niet in orde zijn, dat hij het land wordt uitgezet en dat zij dan zijn bedrijf krijgen. De immigratiedienst is, eufemistisch gesproken, niet geheel vrij van corruptie. Zo iets merkte ik gisteren ook. Hij vertelde dat ze pas weg gaan als ze een ‘bruine enveloppe’ gekregen hebben. Dat merkte is gisteren ook. Zelfs als alles in orde is, vinden ze nog een mogelijkheid om niet weg te hoeven.


We spraken verder en besloten dat te doen in the Irish bar, omdat die aan het water is en dat is dus leuk. Maar die bar was een tikkie saai. We waren er om 23 uur en dat is natuurlijk veel te vroeg. Dus dronken we bier (op Guinness na geen Iers bier te krijgen) en het werd rond 1 uur inderdaad wat drukker, maar nog steeds vrij levenloos. We gingen dan maar naar een echte club en tot een uur of 5 misdroegen we ons in een glimmend witte discotheek met prachtige mensen.

Vanmorgen om 8 uur stond de chauffeur van de zaak klaar om mij naar het vliegveld te brengen. De hele rit heb ik glazig voor me uit gekeken.


Toen ik het land uitgestempeld wilde worden zag ik dat er op de computer van de immigratiedienst een rode blinkende warning bij mijn naam stond. Er was een opmerking die zei dat ik geen workpermit heb. De douanemijnheer keek er naar, haalde er een collega bij, draaide het scherm weg zodat ik het niet meer kon zien. Hij zei: “U heeft geen werkvergunning”. En ik zei “Dat klopt”. “...en waarom heeft u die niet?” “Sinds wanneer hebben toeristen een werkvergunning nodig?” Hij keek nog eens naar zijn scherm en zei: “Heeft u genoten van uw vakantie?” “Ja hoor, het was allemaal prima.” En hij stempelde mijn paspoort.

Ik liep door en twee minuten later kwam hij achter mij aan en zei: “Ik kan die opmerking wel uit het bastand halen”.

Ik had niet zo lang geslapen en was niet in erg goede doen. Die opmerking van de kleine gluiperd schoot mij dubbel en dwars in het verkeerde keelgat en bijna kwam ik tot een woede-uitbarsting, realiseerde mij net op tijd dat als hij een opmerking op dat scherm weg kan halen, hij er dus ook een bij kan zetten. Ik lispelde alleen: “Laat maar...” waar ik 5 minuten later spijt van had. Het zou wel handig zijn als die opmerking weg is. Maar ja... de ergernis won van de rede en de ergernis groeide omdat ik niet adequaat was. Bruisend van irritatie kocht ik cappuccino die zo smerig was dat ik hem terug bracht naar de counter en vroeg of ze hem zelf wilden opdrinken. Maar dat wilden ze niet.


In het vliegtuig zat ik naast een meisje van 8 dat niet van vliegen hield. Ze reisde alleen en hield met een klam handje de hele vlucht lang mijn hand vast en vroeg wel 5 keer “Where are we now?” Toen de purser vroeg was ze wilde drinken keek ze vragend naar mij... ik zei dat ze echt zelf mocht kiezen en heel zachtjes zei ze, fluisterend in mijn oor. “I don’t have money...” Het was vertederend.


Op het vliegveld in Nairobi was het extreem druk. Vlak na onze landing vertrok er een vliegtuig naar Juba in Zuid Sudan. Vandaag is het referendum daar over de onafhankelijk. Het ziet er naar uit dat er een heel grote meerderheid vóór die onafhankelijkheid gaat stemmen, dan hebben we binnen een paar weken een land er bij op de wereld. De vorige keer dat er een nieuw land ontstond (Oost Timor) was ik binnen een maand een van de eerste toeristen, ik ga nu ook proberen binnen een maand dat stempeltje te halen. In de afgelopen weken zijn heel veel vluchtelingen (diaspora’s) uit de hele regio naar Zuid Sudan terug gegaan om vandaag te kunnen stemmen. Er was een enorme, maar een hoopvolle, remigratie op gang gekomen. Het merendeel van de reizigers die nu naar Juba wilden vliegen waren Indiërs en Chinezen. Er gaat heel veel NGO geld naar Zuid Sudan stromen en de VN wil ook graag dat het een succes gaat worden en omdat er olie is zou het heel goed kunnen dat het een van de rijkere landen in de regio wordt. De reizigers nu zijn de vliegen die op de stront afkomen. Als je nu je winkel opzet, je handel begint of een onmisbare dienst verleert dan is dat zakelijk geen onverstandig besluit. De koek gaat nu verdeeld worden. Er zit een naar en hebberig luchtje aan, maar het is logisch en op zich is het hoopvol dat deze verkenners hun duiten willen investeren in dit land, terwijl de toekomst nog helemaal niet zeker is.


In de afgelopen maanden hebben allemaal berichten in de krant hier gestaan over 'the shaping of a new country'. Hier is een foto van de deelnemers aan 's lands eerste beauty contest, er was een geinige wedstrijd wie het volkslied mocht componeren en vervolgens gedoe omdat het gekozen lied een soort dodenmars leek. Dan was er wat gesteggel over de vlag. Het decorum dat bij een nieuw land hoort zijn de handvatten voor de bevolking.


De komende maanden zal duidelijk worden wat er gaat gebeuren; Voor Kenia zou het een enorme opsteker zijn als Zuid Sudan een succes wordt; het is een landlocked land en alles zal geïmporteerd moeten worden; de haven van Mombasa in Kenia is de dichtstbijzijnde haven en alle transport zal door Kenia heen gaan, een groot deel van de miljarden die de VN heeft klaar liggen zullen in Kenia worden uitgegeven want daar in Juba is helemaal niets, op de winkels van de Chinezen en Indieers na dan, maar dat duurt nog wel even voordat die echt up and running zijn.

zaterdag 8 januari 2011

Die klote Hemmingway, wereldkampioen schrijven

Op het terrasje van mijn hotelkamer in Dar es Salaam herlas ik gisteren ik Hemingway’s avonturen in Kenya. Het is vervelend er achter te komen dat hij alles zo verdomd goed doet en er dan ook nog zo intrigerend over kan schrijven. Die man is overal geweest, heeft alles gedaan wat overal gedaan moest worden en deed er dan ook leuke dingen bij; lang in kroegen hangen, altijd de mooiste vrouw aan zijn arm en de huizen waar hij woonde waren ook nooit lullig. Hij had de beste en interesantste vrienden die hem onderdak gaven, hij beheerde een eindeloze stapel flappen uit een never ending oorlogskas. Hij sprkt een hand vol talen uit de regio (Kamba, Swahili en Masaai en met de Kamba vrouw uit zijn half legale relatie mompelt hij spaans, net als met de rhino’s).

Hij noemt zichzelf Papa en de vrouw waar hij de tent mee deelt als hij niet bij zijn Kamba protegé is noemt hij Miss Mary. Hij slaapt met een jachtgeweer onder de lakens en gin-tonic onder handbereik, ontbijt met bier en thee en onderhoudt een kudde personeel, half voor de jacht half voor zijn eigen eten en transport.


Miss Mary moet een grote dikke oude leeuw schieten en driekwart van het boek gaat er over dat ze zitten te wachten totdat die leeuw een fout maakt en eindelijk de spill gebroken kan worden. Ondertussen blust hij vuurtjes bij de dorpen in de buurt, vliegt over de steppe en rotzooit er op los met de Kamba girl en Miss Mary.

Terwijl ik het lees denk ik aan zijn verhalen in Ronda, vistochtjes in Cuba die niet helemaal goed afliepen, een oorlogje her of der, stieren vechten in Madrid, deep sea fishing in Florida, blokhut leven in Minnesota, zijn ontmoetingen in Parijs met Orwell, de mythische boekhandel Shakespeare & Co (volgens mij bestaat ie nog steeds in de Marais).

Het is jaloersmakend om zo te kunnen reisschrijven, de helft er bij te verzinnen, een onderliggend plotje te bouwen, een spanningsboog te maken die nauwelijks voelbaar is, naar ondersteund wordt door kleinere bogen. Een boog voor de persoonlijke ontwikkeling (blijft Miss Mary het pikken dat iemand anders verliefd is op Papa), een bigger picture (gaat Miss Mary die leeuw omleggen of gaat dat niet lukken) een nog bigger picture (komen de Mau Mau de blanken hun land uit zetten, de dreiging is steeds voelbaar), nog een langzame grote boog (zorgen over de toekomst; hoe moet het als we hier weg gaan, waar gaan we wonen, kunnen we deze mensen en deze beesten alleen laten) en dan weer de kleine zorgen: het bier is op; er moet een bokje geschoten worden voor het diner, maar dan moet er een moslim mee om hem halal te slachten. En dan wordt alles weer doorsneden omdat het ineens 2 dagen gaat regenen en Papa door zijn verzameling Simenons heen is (a compilation of 5 books would make 3 good ones).Al die lijnen en bogen worden samengevlochten tot een grote stroom daden, dromen en gedachten.., soms een tikkie saai, maar dan ten minste prachtig geschreven.


Toen ik genoeg gelezen had wandelde ik naar de bar en dronk een biertje met uitgebluste blanken. Er is hier een Canadees die hier voor niets woont in ruil voor een website, al maanden probeert hij die te maken. Volgens mij is het zijn doel dat dat ding nooit af komt. Er is een Belg die hier al 20 jaar woont en ver weg in de jungle blokhutten bouwt voor de werkers van infra projecten. Hij was 2 weken met zijn ouders en zus op stap geweest en verlangde naar de stilte van ‘buiten’ waar hij dagelijks 5 uur in het vuur kijkt (2 uur ’s morgens om te denken over het werk, 3 uur ’s avonds om te denken over het leven). Hij wordt door zijn medewerkers voor gek wordt verklaard en hij wil niet al te succesvol worden, want dan heeft hij niet genoeg denk-tijd meer.

Er loopt hier een Nieuwzeelandse Maori rond die al 9 maanden een proces aan het voeren is tegen de internationale school. Hij is bijna blut en gisteren kwam eindelijk de uitspraak; hij heeft gewonnen, maar de school gaat in hoger beroep en hij heeft daar geen geld voor. Vandaag vertrekt hij naar Kiwi land.


Ik kon het niet laten hun levens (en de mijne incluis) te vergelijken met dat van Hemingway. Of wij doen iets fundamenteel fout; of die Hemingway kon het allemaal gewoon beter verwoorden. Dear Ernest heeft zich ook vele dagen zich zitten vervelen, heeft ook last gehad van muggen en buikloop, heeft onzekerheden gekend, had miscommunicatie met zijn staff en heeft emmers liefdesverdriet overleefd. Hij schrijft er niet over, maar gezien zijn ijdelheid moeten het slagen in zijn gezicht geweest zijn.


Terug in mijn kamer wilde ik verder lezen, maar merkte dat ik mijn boek vergeten was, op de bar laten liggen. Weg.

Laten we hopen dat een slimme Tanzaniaan zijn tanden er op stuk bijt en in vervoering raakt over de mooischrijverij.

dinsdag 4 januari 2011

nieuw jaar in Diani

Mijn huis heeft iets van een duiven til, het is hoog boven de stad. Via de gate kom ik binnen, knik naar de portier en ga een lange rij trappen op naar boven en kom dan in mijn eigen geïsoleerde wereld. Zie alleen maar boomtoppen en de bergen in de verte. Het is heerlijk en fijn, maar je kan makkelijk de connectie met de aarde verliezen. J.M. uit NL adviseerde mij mijn computer eens een tijdje uit te zetten en iets te gaan doen. J.M. weet wat goed voor me is, maar het is niet makkelijk altijd haar adviezen op te volgen. Het werd tijd de horizon te verbreden en daar had ze gelijk in.


Dit ‘festive season’, dat we net achter de rug hebben, betekent in dit land dat iedereen als een idioot ergens ander hen gaat rijden, dat alle vluchten vol zitten en dat alle hotels volgeboekt zijn. David, een kennis, heeft een huis aan de kust en nodigde mij uit. Misschien zag hij dat mijn horizon verbreedt moest worden, misschien deed ie het omdat hij wist dat ik toch geen ticket kon krijgen. Hij is een white Kenyan en heeft zo'n familiehuis daar, al 200 jaar. ‘t Leek mij wel geestig, zijn moeder, zijn zus en familie en vrienden en hij en zijn man zouden daar zijn, en zouden nog meer mensen uit Nairobi komen. Dus zette ik er iemand op een ticket te krijgen en die belde na twee uur al op dat er nog één ticket naar Diani was en dat boekte is; toen smsde ik David, en hij berichtte terug dat er wat gedoe was en dat het huis vol was. Ineens vond ik hem minder aardig. Ik ben heel hard aan allemaal touwtjes gaan trekken en uiteindelijk kreeg ik een heel klein, heel heet en heel rabbig hutje onder een boom vlak naast het strand. Het leek me best en kostte geen drol... Maar het was niet zo best want het dak van het huisje was de springplank voor alle apen in de buurt om van het strand de boom in te komen. Binnen in de hut hoorde je alleen een heel harde klaboem en dan daalde het eeuwen oude stof als een zachte regenbui uit het palmbladeren dak neder. Dat begon om ca 3 uur 's nachts en hield op tegen de tijd dat het in het hutje te warm werd, rond 9 uur. Heel geestig; stadse jongen maakt inschattingsfoutje foutje in Afrika.... De apotheose was op 1 januari, na een feestje op het strand tot 5 uur, dansende apen boven mijn hoofd, werd ik op 8 uur gewerkt omdat het om 9 uur check out time was. Ik was nog lichtelijk beneveld en had niet echt een alternatief om verder te slapen. Ik voelde me als een 14 jarige scholier die voor het eerst op tienertoer is en nog niet weet hoe de wereld werkt na een fles aldi huiswijn... dat was geen fijne start van het nieuwe jaar.


Daar op het strand waren de hele week door allemaal feesten en zo variërend van een Michael Jackson contest voor 3 tot 10 jarige (pure kinderporno), tot house parties met Duitse DJ's, met heftige opgeschoten blanken en indiaase jongeren die een soort spring break parties hielden (al die witte Kenianen studeren in Zuid Afrika of Londen en komen dan rond kerst terug om zich te misdragen).


Diani is een stuk strand van ca 10 km lang met prachtig wit zand aan een lauwe blauwe zee. Op een paar honderd meter uit de kust is een koraal rif zodat de haaien niet bij het strand kunnen komen, het is ver genoeg weg zodat ze zee niet een zeikerig binnenmeer wordt. Langs dat strand zijn tientallen grote hotels, van chique internationale ketens tot een soort Cubaanse clubs met verkeerde bandjes met Midden-Amerikaanse salsa (terwijl muziek een van de weinige dingen is die niet geïmporteerd hoeft te worden) en met groen kunstgras langs het zwembad... en een paar plekken waar kamers verhuurd worden aan onberekenbare passanten en white trash.

Om middernacht was er een imposant vuurwerk langs de kustlijn... (Ik snap het economische concept nog steeds niet; waarom gaan die all inclusive hotels zich zo te buiten, terwijl het beter is je gasten, als ze eenmaal betaald hebben, weg te sturen. Dan consumeren ze toch minder?)


Daar in Diani ontmoette ik via via een Nederlandse film maakster en cameravrouw die met haar Keniaanse man een ienieminie productiebedrijf heeft en bezig was een film te maken voor een festival dat daar plaatsvond. Met open armen werd ik ontvangen en haakte in bij haar gang en huppelde zo het nieuwe jaar in. Overdag liep ik lange enden over het strand langs alle all inclusive hotels naar de enige tent waar zwervers gewone koffie kunnen drinken en dan kwam ik die gang van Jessi ergens tegen en deed mee in de grote brainstorm van hoe het mogelijk zou zijn voor haar een economische basis te vinden zonder als blanke in de charity hoek geduwd te worden. (Het is echt ziekmakend om te bedenken hoe in dit deel van Afrika iedereen er van uit gaat dat je als buitenlander rijk bent, getalenteerd bent en dat je die kwaliteiten gratis komt afleveren. Dat ze geen ‘dank je’ hoeven te zeggen en er zelfs sloppy mee om kunnen gaan omdat het gratis was, hoe ze kunnen overvragen zonder na te denken wat de echte behoefte is en jou nog het gevoel geven dat zij iets voor jou doen.)


Gelukkig kon ik inhoudelijk een heel klein beetje helpen aan Jessi's productie en kon zij mij een heel fijn appartementje in haar compound leveren, nog steeds voor een zeer vriendelijke prijs, want daar onder die apen was toch niet goed voor de nachtrust...

Wat is het toch fijn om klusjes te hebben, hoe klein dan ook. wat is het toch fijn om omringt te zijn met geestverwanten.


Ik ben inmiddels helemaal opgewarmd van de tropische zon, de liters strand bier, de houseparties met twintigers in strakke lijfjes (“you hair is grey, nice you’re here anyway, yeah happy new year to you, mister”) en de gesprekken met Jessi en haar gang over inhoudelijke, productionele en ontwikkelingszaken in een Keniaanse context... erg prettig. Langzaam leer ik steeds meer over dit vreemde land, langzaam leer ik dat ik niet de enige ben die er geen donder van begrijpt (waarom doen ze niet wat ze zeggen.....?) De reviaanse man van Jessi was geen uitzondering, ook hij verbaast zich dagelijks over de gang van zaken. Heel bemoedigend.


Van Diani beach gisteren naar Dar es Salaam gereisd. Het is hemelsbreed misschien 100 kilometer. De weg werkt niet, de douane werkt niet en dus moet je vliegen. (Of 10 uur in een hobbelbus zitten). Om 5 uur ging ik met een taxi naar Mombasa, om 2 uur was ik op Zanzibar airport en om 4 uur op kantoor. In totaal was het 11 uur reizen voor 100 km... fietsend zou het in Nederlandd sneller zijn.


Op de verschillende vliegvelden las ik kranten en las onder meer dat het familiebedrijf van David, die mij aanvankelijk uitnodigde, een heel zware waarschuwing aan de aandeelhouders had gegeven. De zaken gingen toch niet zo goed als aanvankelijk voorgesteld was. Ik kan mij voorstellen dat ze met de hele familie bij elkaar iets anders te bespreken hadden dan het happy new year te vieren met vage bekenden.


Op kantoor ontdekte ik dat de crew besloten had dat er vandaag geen uitzending van ons dagelijks programma zou zijn omdat ze nog een beetje te veel in de vakantiestemming waren. Ik heb iedereen terug laten komen en ze hebben uit oud materiaal een aflevering in elkaar gezet die om 5.45 uur bij de omroep werd afgeleverd en om 6 uur werd uitgezonden. Ziedend vroeg ik mij af of ik gek was of zij... hoe je het in je hoofd kan halen om te besluiten dat de tv maar een half uurtje op zwart zou moeten... de gotspe!

Heb het gevoel dat ik niet voor niets een hele dag op vliegvelden zat en heb het

gevoel dat het nieuwe jaar echt begonnen is.

Nu nog een weekje in Tanzania. Lekker concreet werken met leuke mensen. Heerlijk.

dinsdag 26 oktober 2010

op zoek naar kwaliteit

In de maand augustus was ik ca drie weken in Tanzania en nu weer.
Toen ik hier de vorige keer was, was ik aan het uitzoeken of ik hier langere tijd naar toe wilde. Niet specifiek Tanzania, maar Oost Afrika in het algemeen. Ik had eigenlijk nooit over de mogelijkheid nagedacht naar Afrika te gaan, maar dit project kwam op mijn weg en ik wilde het een heel erg serieuze overweging geven.
Met maagdelijke ogen kwam ik in Nairobi aan en vloog een paar dagen later door naar Dar es Salaam. Landde hier en reed in een stroperige file naar het kantoor. Ik keek om me heen en vond alles lelijk, vies en onaantrekkelijk.

Het werk dat ik deed vond ik geweldig leuk maar als dat klaar was voelde ik mij een gevangene in de tuin van Captain John. De grote wilde wereld was buiten het hek, de guard was als een Cerberus voor de bruisende hel achter de poort en mijn nieuwe ogen wilde alles opsnoepen en ondervinden, ik wilde naar buiten, maar wist niet zo goed hoe, of waarheen. Door mijn collega’s hier werd ik meegesleept van het ene restaurant naar het andere, van de ene kroeg naar de volgende discotheek en ik vond alles vrij lelijk, onverzorgd en knoestig. Het strand met de lauwe zee was vol plastic en kapotte flessen, het vlees op het bord was pezig, de vis te lang gebakken, de groentes te lang gekookt. De architectuur hier vond ik ongeïnspireerd en goedkoop (op de prachtigste plekken langs de kust staan de meest monstrueuze spiegelglasconstructies met chromen details). Langs de boulevard in het oude centrum staan een paar fraaie gebouwen, maar die zijn verborgen achter reclames van telefoonaanbieders. Mensen zijn meestal onverzorgd, de kleren zijn wel schoon, maar van een allergoedkoopste Zeeman kwaliteit; het knettert van de terlenka. Op terrassen staan goedkopen kopieën van toch al lelijke Hartmanstoelen, vaak lichtelijk gescheurd. In het algemeen was ik hongerig op zoek naar kwaliteit.

Sinds augustus ben ik 3 weken in Nederland geweest en was ik 3 weken in Nairobi, heb een reisje naar Kampala in Uganda gemaakt en ben nu weer hier in Dar es Salaam voor een dikke week.
Heel langzaam beginnen mijn ogen te wennen. Het sleutelwoord in wat ik mis blijft wel degelijk ‘kwaliteit’, maar ik zie ook andere dingen. Als je er slim mee omgaat hoef je niet in de file te staan, als je een beetje plant en kiest hoef je geen pezig vlees te eten. Ik heb inmiddels een meubelmaker gevonden die op een min of meer traditionele manier stoelen en bedden kan maken die niet lijken alsof ze van het allergoedkoopste hout in een half uurtje in elkaar getimmerd zijn met kromme spijkers. Veel mensen zijn erg modebewust, maar het aanbod is minimaal, als er genoeg vraag ontstaat zal het aanbod ook wel komen. Afgelopen week zat ik op een leren bank, echt het prachtigste leer, alhier gelooid. In mijn strooptocht naar appartementen werd ik aanvankelijk verblindt door de lelijkheid en het idee om in een DDR compound te moeten wonen. Inmiddels heb ik kleinere compounds gezien met appartementen die in detaillering aandachtiger gemaakt zijn, met mooie houten vloeren en waar het terras er niet aangehangen is omdat dat geld oplevert, maar omdat het een geïntegreerd deel van het huis is. Omdat er een sterk groeiende middenklasse is zal de vraag naar betere spullen groeien. Kwaliteit is te vinden, het is alleen erg duur.

Mijn Europees/Aziatische smaak is niet dezelfde als die van de Afrikanen, maar de groeiende globalisering zorgt er wel voor dat de stijlen en trends die overal op de wereld hip zijn ook naar hier waaien. (In een boekhandel zag ik een stapel boeken liggen over Thai living, Bali Style en Hong Kong apartment design). Op die manier wordt de vraag gecreëerd. Er zal een Afrikaanse invalshoek aan gegeven worden want er lagen ook boeken van Zanibar palaces, Lamu style en Safari living (dat laatste is dan weer een 19-de eeuwse variant op de Brits koloniale vormgeving; maar wel met Afrikaanse materialen en ook dat is een onderdeel van de Afrikaanse geschiedenis.

Nu vraag ik mij af of ik deze dingen langzaam begin te zien omdat mijn cynisme voor het leven hier afneemt (ik heb immers besloten hier een tijd te blijven en dan is cynisme een martelwerktuig) of dat mijn ogen wennen en ik door het bos de bomen ga zien, of dat ik mij al aan het aanpassen ben en genoegen neem met de lelijke rotzooi en het kleinste flintertje kwaliteit om het vonkje van hoop op leven in een esthetische wereld te laten ontbranden en dat het grosso modo nog steeds en smerige teringbende is.


Gisteren reed ik hier door het centrum en de oude koloniale wijk net noordelijker en ik genoot van de gebouwen. De Afrikaanse op Art Deco geïnspireerde huizen zijn geweldig en de dingen die net na de onafhankelijkheid gebouwd zijn, zijn minstens curieus. In veel Afrikaanse landen (maar ook in Indonesië en Cambodja bijvoorbeeld) is er meteen na de onafhankelijkheid gezocht naar een ‘eigen stijl’. Er werd een staatsarchitect aangesteld die die nieuwe identiteit moest vormgeven. (Hier werd Almeida dat, in Cambodja Vann Molyvann en in Indonesië deed president Sukarno het zelf). Er bestaat een geweldig boek over ‘Independent Architecture” uit de jaren 50. De uitvinding van het gewapende beton was een revolutionaire stap om het mogelijk te maken om nieuwe ‘iconic buildings’ te scheppen en te laten zien hoe vreselijk onafhankelijk die landen geworden waren. Het vliegveld, stadion, het Nationale Hotel met converentie zalen en soms ook het parlementsgebouw. Wapperend beton, golvende gevels, bizarre luifels en honingraatvormige zonweringen. Allemaal blijken van onafhankelijkheid, eigen identiteit en grote technologische kennis. De vooruitgang en het optimisme dropen van de gebouwen af.

Die gebouwen zijn meestal solide gebouwd en kunnen wel tegen een stootje. Die stootjes hebben ze in de afgelopen jaren gehad; het positivisme van Afrika is sinds de onafhankelijkheid van de meeste landen gedrenkt in bloed, in corruptie, in onmogelijkheden, in HIV-Aids en andersoortige tegenslagen. Inmiddels zit in elk geval Oost Afrika in de lift. Gisteren zag ik dat van een van die gebouwen de metershoge reclames werden weggehaald en dat de gevel geschilderd werd. De vraag is of dit een klein en voorzichtig blijk is van de herwaardering van die postkoloniale architectuur, of dat er gewoon een nieuwe lik verf op moet om de hartenkreet van Vodafone duidelijker uit te laten komen.

Het gunstige is dat niet alles spiegelglas en chrome wordt.

zondag 24 oktober 2010

kantoor in Tanzania, stront in de tuin

Op dit moment ben ik in Dar es Salaam.Onze operatie draait hier in full swing. We zijn dagelijks op tv en het programma is nog razend succesvol ook.


We huren hier een kantoor en daar zitten dagelijks, van ‘s morgens 6 uur zit er een 10 tal mensen te werken. Het kantoor is geen kantoorgebouw, maar het grote tuinhuis van Captain John. Captain John was tot en paar maanden geleden de piloot van de president. Hij heeft een normaal huis, 4 bloedmooie dochters en een heel grote tuin. Hij heeft een guard annex tuinman, Christopher, die niet helemaal goed bij zijn knikker is. Capt. John heeft hem gered van het lijmsnuiven, volgens mij kwam die redding te laat; een groot deel van zijn hersens is al weggevaagd.
Captain John bewaakt huis, haard en dochters met 4 grote honden. Overdag zitten die in een klein hokkie te piepen en te janken in de zon. ’s Avonds lopen ze wild rond. Guard Christopher is bang voor de honden en het gedrag van die honden wijst er op dat ze vroeger ook lijm gesnoven hebben; volledig onberekenbaar, schichtig en met een extreem kort geheugen (staan ze tegen je op te kwispelen, moeten ze even iets doen tegen een vlo in hun kruis en vervolgens grommen ze met de staart tussen hun poten weg om dan drie stappen verder zich te bedenken en weer tegen je aan te gaan rijden... in vijf seconden 4 mood swings klinkt merkwaardig).

In het rustige leven van Captain John zijn wij een onrustig zootje. In en uit lopen, mensen van die malle media, onregelmatige werktijden, een gate die open en dicht moet met het gevaar van weglopende dochters, auto’s op de parkeerplaats en een overwerkte Christopher.

Bij het kantoor is een piepklein appartement. Een slaapkamer en een douche. Nu ik in Dar ben slaap ik in dat hokje. Dat is wel te doen, maar niet ideaal, Maar Capt. John heeft een angst factor erbij; een blanke die er ’s nachts slaapt en wel eens een praatje met de dochters maakt. De meiskes zijn zo braaf als kan wezen, maken grapjes die nauwelijks ondeugend zijn en gaan op zondag met de bijbel de deur uit, ze kleden zich decent en ik denk dat er nog nooit een wulpse gedachten in hun hoofd in opgekomen. Ze zijn saai voor woorden, maar wel mooi.

Captain John heeft ons huurcontract opgezegd. We zitten er nu bijna een half jaar en dat van is wel genoeg, vind hij. We zitten hier niet zo slecht (ook niet heel goed trouwens) en verhuizen is gedoe. We kunnen er maar niet achter komen wat het probleem is, waarom ie ons wegstuurt. Hij zegde de huur op per sms, terwijl wij elke dag gewoon op kantoor zijn en met enige regelmaat een praatje met hem maken. Wonderlijke manoeuvre.
De dag nadat hij de huur opzegde gebeurde er vreemde dingen. Er stond een vrachtwagen in gemanicuurde tuin; een vrachtwagen vol stront. Christopher klom er op en begon de vrachtwagen te legen. Over het prachtige korte gras werd een dikke laag koeienpoep geschept. De poep was lekker vers en er kwamen dus heel veel vliegen op af.
Diezelfde dag hielp onze airconditioning er mee op. Iets met een zekering in een elektrisch doosje dat hermetisch dicht zit en dus niet open kan.
Geen airco betekent dat alle ramen en deuren open moeten om een beetje tocht te genereren. Ramen de deuren open betekent nu: dikke koeienpoep lucht binnen (het went) en heel veel vliegen (went niet).
Vandaag is het zondag en ik werd vanmorgen gewekt om 7 uur omdat er een nieuw vrachtwagentje binnen reed; één lading was niet genoeg; de rest van de tuin moet ook bedolven worden onder de stront.
Ik klaagde vanmorgen over de vliegen en Captain John zei dat we beter moeten schoonmaken. Ik wees op de koeienpoep en hij zei: “Nee, daar kan het niet aan liggen; that is natural.”
Wij krijgen ook internet via Captain John en sinds vrijdag doet dat het ook niet. Wij kunnen niet werken zonder internet en ik denk dat er een verband is tussen koeienpoep, internet, airconditioning, vliegen en de huuropzegging.

Alleen even voor het beeld: vlak achter de tuin van Captain John is een vuilstortplaatsje en in de tuin zitten duizenden kraaien. De maken een eng geluid en zeker rond zonsondergang is de vergelijking met Hichcocks ‘Birds‘ voor de hand liggend. Het zijn angstaanjagende beesten. Ik vind het niet zo erg om hier weg te gaan met het kantoor, maar verhuizen is gedoe. De komende dagen ga ik eens op zoek naar een leuk en sexy kantoor hier.

maandag 30 augustus 2010

Fietsen door de Slum (fout woord)

Vorige week schreef ik een blogje over het zoeken naar en Gym in Dar es Salaam, Tanzania. Het ging daar niet over, maar het kwam er wel veel in voor. Ik kreeg nogal veel reacties, mensen die bang zijn dat ik heel veel kilo’s zwaarder geworden ben en langzaam vervet omdat ik geen gym gevonden had. Voor hen de troostende opmerking: ‘spieren zijn zwaarder dan vet… ik kom inderdaad weer zwaarder terug. Heb gym gevonden, heb gezweet en getraind, en vond er, zoals gewoonlijk, geen donder aan.’ Maar de dag er na voelde ik me wel beter, steeds weer.

Afgelopen week heb ik mijn klus in Dar es Salaam voorlopig afgerond en ben doorgereisd naar Arusha nabij de Keniaanse grens. Woensdag reizen F. en ik verder en zijn dan nog en paar dagen in Nairobi. Er is daar een Afrikaanse tv beurs. Ben heel benieuwd hoe anders het is dan de tv beurzen in Europa.

De dagen in Dar begonnen een beetje op de tast met voelsprieten, met eerste initiële reacties, een eerste kijk in de keuken en klungelig heen en weer rijden met een auto met een autistische chauffeur. Op een één of andere manier kon ik geen grip op die stad krijgen. In veel steden lukt het wel om bakens te herkennen, om een grid van de wegen te snappen, en steeds te weten waar Noord en dus Zuid is. Door de merkwaardige ligging van Dar lukte dat daar niet. Net te noorden langs de kust is er een schiereiland in zee, op dat schiereiland (niet te veel bij voorstellen) stond ons kantoor en ook de rest van de luxe villa wijk. Doordat de wegen niet recht lopen maar kronkelen langs bergen, langs de zee, en langs oude gebouwen of dingen die er waren voordat er wegen gemaakt werden, raak je de oriëntatie kwijt, doordat de zee dan weer links en dan weer rechts van je is weet je niet meer waar het noorden is. Echt belangrijk is dit niet, maar het idee om een stad, in elk geval geografisch te begrijpen, helpt wel bij het accepteren en begrijpen er van.
80% van het werk deed ik op kantoor en aan het kantoor vast was een klein appartement dat ik bewoonde. Er was dus ook niet veel noodzaak de deur uit te gaan. Maar op een gegeven moment vond ik het toch echt te dol. Via via hoorde ik van cycletours door de stad. Ik reserveerde en meldde mij ’s morgens, met een paar mensen die ik slecht kende, bij een shoppingmall. Daar zat een benige jonge man met een indrukwekkende bos haar in een theedoek gewikkeld met een bosje fietsen. De fietsen zagen er puik uit, de bandjes vol lucht, en hij vertelde schematisch wat we gingen doen; een kleine 30 kilometer door de slums fietsen.
Er zijn nogal veel slums in Afrika en in alle landen verschillen die van kleur gevoel, ontstaansgeschiedenis en waarschijnlijk ook van toekomst.
Nou ben ik wel eens eerder in een slum geweest en die zijn over het algemeen niet opbeurend. Tegenwoordig mag je niet meer slum zeggen, maar heet het ‘informele stadsuitbreiding’. Valt waarschijnlijk in dezelfde Amerikaans gedreven correctheid waarmee ook ‘eskimo’, ‘zwarte’, ‘indiaan’ en nog wat termen (voorlopig) in de ban gedaan zijn. Slum mag dus ook niet meer.
Goed, wij reden door de slum en eigenlijk vond ik het allemaal wel netjes. Vrolijke kinderen die beschaamd lachten, ze speelden met een lekke bal. De straten waren niet verhard, maar dat geld voor wel erg veel straten op dit continent en de boel was redelijk schoon, redelijk aan kant, redelijk kalm en zonder heel veel smerige vliegen en vooral; de lucht was schoon. Een van de plezierige dingen van Dar is dat er niet zo veel industrie is en dat het aan de kust ligt. Het waait er vaak schoon en de lucht wordt niet zo intens vies. Zo’n slum, met smerige riviertjes waar uitbuikende kinderen zich in wassen terwijl hun broertje er een paar meter verderop in staat de zeiken is een weinig hoopgevend gezicht. Een ander ding was dat die slums hier niet zo eindeloos waren. Van de ene buurt pedaalden we naar de volgende, we keken bij een gezin thuis; 17 mensen in 4 kamers, en iedereen lachte erop los, we kregen thee en een vettige verse boterham, vader zat op de stoep schoenen te lappen, zoonlief oefende engelse woordjes en het beeld was eigenlijk wel vredig. We fietsten door en kwamen bij een mini coöperatie; de ene man levert koffie bonen, de ander heeft en vuurtje, de derde een pan en de vierde kan heel goed roeren. Dan is een jongen die de versgebrande koffiebonen heel mooi kan verpulveren en een mevrouw voor de finishing touch: zij kookt het water en giet dit over de verse bonen. Resultaat: een grote pot koffie; daarmee gaan ze de markt over en iedereen die een kopje wil krijgt een schoon kopje, een bodempje drabbige koffie en de makers, krijgen allemaal een paar centen. Het economische model is schimmig; ik ben erg voor outsourcen, maar niet tegen elke prijs; ik denk dat een iemand dit klusje best in een kwartiertje in zijn eentje had kunnen fiksen; maar dat gaat in tegen het algemeen belang dat er zoveel mogelijk mensen een bammetje kunnen verdienen en waarschijnlijk zou de geldverdiener netto toch tegen het onderhouden van de andere makkers aan lopen. Dan kan je ze maar beter een baantje geven en zelf ook in de schaduw gaan zitten wachten, zonder de status van ‘het baasje met personeel’, maar gewoon met je vrienden, je partners in crime.

Zo fietsten we van de ene wijk naar de volgende, de ene moslim, de ander christen, de ene heel arm, de andere iets minder arm. Op de markt zagen we wat mensen eten en werden daar niet gelukkig van, nogal veel vliegen (hier wel). Een paar staten verderop zagen we hoe de zak van Max geleegd wordt; de spijkerbroeken uit Denemarken, Oostenrijk en Nederland worden gewassen, gerepareerd en verkocht. Puike broeken voor een paar Euro’s. Het zou nog best en business model kunnen zijn om ze zelf hier weer op te halen en... nee: focus.
Rijen en rijen winkels met spijkerbroeken, t-shirts, sleetse pakken, specialisten in witte overhemden en ik kon mij die goedbedoelende tante in Zwolle, Zutphen, Zaandam en Zierikzee voorstellen die, ach en wee knikkend en in gedachten bij dat kleine zwarte mannetje met die dikke buik de oude kinderkleren in een Zak van Max propt. Ze weet niet dat het keiharde handel is op een levendige markt in Tanzania. Belerende speakers, sjansende meisjes, een paar miljoen vliegen, handige afdingers en een paar blanken op mountain bikes.

Na een paar uur kwamen we weer terug bij de shopping mall. Ik was blij dat ik andere delen van de stad gezien had dan waar ik tot nu toe was geweest was, maar had ook een vreemde smaakt in mijn mond. Geld betalen, (nee, het was niet veel, maar toch...) om naar mensen te kijken die geen geld hebben. Je te vergapen aan het gebrek aan van alles; geen wegen, geen water, geen scholen, geen toekomst... je kan bijna niet anders dan ‘oh gossie’ zeggen en er meewarig bij kijken bij de aanblik van de endeldarm van de samenleving. De vergelijking is cru, maar het had toch iets van een dierentuin waar je naar de ijsberen kijkt en denk: tjonge klein en smerig hokkie, hmmm ziet er niet zo leuk uit, en dan ijsjes likkend doorloopt naar de wolven die gefrustreerd hetzelfde traject draven, je denkt: sukkels, en de vogels hebben last van uitvallende veren, de giraffe kan niet door de deur en aan het eind van de dag sta je buiten heb je een smakt centen uitgegeven en denk je: ”wat een fantastische dag; lekker veel gelopen ook”.

Toen we fietsten vroeg ik mij af: deze slum is niet heel prettig om in te wonen, maar is echt veel minder erg dan die ik Kenia, in India in Brazilië... Deze jongen hier heebn het niet lekker, maar die mensen elders... dat zijn verwarrende gedachten: Zo’n gevoel hoor je niet te hebben als je de slums uit komt en weer in de airco auto naar huis rijdt, de chauffeur een paar centen geeft, biertjes koopt bij de supermarkt en ’s avond fantastische pizza’s eet bij een Italiaanse joint aan de kust. Dit soort gedachten passen niet in het beeld als je gewapend met een fles wijn naar een feestje gaat, ’s nachts hossend door een discotheek stuitert en de volgende dag toch maar niet dat boottochtje gaat maken omdat de goedkope wijn voor een klotsende kater zorgt. Die werelden passen niet bij elkaar en toch zijn ze hier maar een paar meter bij elkaar vandaan. Het is een mind game om die dingen toch op elkaar aan te laten sluiten.


Effe wat anders, iets heel anders:

De afgelopen dagen zijn er ineens allemaal mensen die ik ken overleden. 3. Nou staat ‘de dood’ in Afrika in het algemeen dichter bij ‘het leven’ dan bij ons, maar deze doden die te betreuren waren, waren allemaal Nederlanders die er ineens, als donderklap bij heldere hemel, mee ophielden. Op zich zijn het 3 mensen die ik een beetje tot redelijk ken, maar die ik wel allemaal al heel lang ken.
Ik zal er, om het bruut te zeggen, geen minuut minder om slapen, maar toch merk ik dat ik de hele dag aan de doden, de nabestaanden, de vrienden en vooral die kleine kinderen die ze achterlaten, denk. Ik merk dat ik er toch narig van wordt, en weet dat mijn narigheid een kruimeltje is in vergelijking met het eindeloze leed dat de nabij-en is aangedaan door het verdwijnen van de lui.
Het idee dat het ineens zomaar voorbij kan zijn is gruwelijk, en toch ook wel weer comfortabel. Dat geldt natuurlijk vanuit de optiek van de dode. Voor alle anderen is het wel heel erg anders.

Zal ik nog een kleine speculatie loslaten op... Nee, deze keer niet.