alexandervaleton@gmail.com http://alexandervaleton.tumblr.com/

Pagina's

Posts tonen met het label moskee. Alle posts tonen
Posts tonen met het label moskee. Alle posts tonen

maandag 28 juni 2010

oezbekistan, Istanbul FINALE

Rond 2 uur maakten we ons met erg veel moeite los uit de swingende massa. Om half 3 waren we in het hotel, om kwart voor 3 sliepen we en om 5 uur ging de wekker weer. Om kwart over 5 gaven we Wouter een hand, om half zes zaten we in een taxi, om 6 uur checkten we in voor de vlucht naar Istanbul en om half 7 kwamen we er achter dat ie te laat was. We wachten, steeds geïrriteerder en daarna gelatener op het Turkish Airlines toestel. We zagen het aankomen, we zagen de schoonmakers erin gaan, en een uurtje later er weer uit komen. Daarna het gedoe met de karretjes met koffers. Het leek een soort stiptheidsactie, maar die mensen werkten gewoon. Ze deden wat ze moeten doen en hebben daar tijd voor nodig. Maar ik wilde ook doen wat ik moest doen en daarvoor had ik een stoel nodig: ik wilde slapen. Daan zei al een uurtje niets meer.

In Istanbul hadden we op de heenweg al een hotel geregeld.
De taxi kon niet in de buurt komen, de straatjes zijn te nauw en eenrichtingsverkeer zou een uitkomst bieden. Bepakt liepen we door het toeristengebied en werden slechts 35 keer gevraagd of we een hotel zochten. Doodmoe en lichtgeraakt liepen we naar ons hotel. Het is wel bijzonder om zo door zo’n stad te lopen. Beide wisten we dat het heel makkelijk mis kon gaan, dat er niets hoefde te gebeuren voordat een van beide een woede-uitbarsting zou krijgen. We wisten dat we heel voorzichtig moesten zijn met prikkelingen, leuke opmerkingen, of andere dingetjes. Als Daan ook maar het kleinste commentaar had gehad over iets wat ik deed, was ik geëxplodeerd. Als ik iets fouts gedaan had was hij zo onbedaarlijk boos geworden. Dit was nogal duidelijk en dus stapten we op kousenvoeten door deze ochtend en vonden het hotel.
We checkten in, rommelden wat rond.
De kamer die we gereserveerd hadden was er niet, het alternatief wel heel erg klein.
Er iets aan doen of niet....
Nu niet...

We liepen naar de straathoek en vonden een loungeachtige bank, bekleedt met dikke kelims. Met toegeknepen ogen tegen de zon aten we veel fruit, dronken lekkere koffie, nibbelden aan goede gebakken eitjes (oh, wat is goed eten toch fijn...) en anderhalf uur laten sjokten we weer terug.
Daan sliep op bed ik op het balkon en werd pas wakker toen een zweetdruppel langs mijn slaap sijpelde. Ik lag in de zon en de lente in Istanbul is een stuk warmer dan die in Tashkent (of Amsterdam).
Die middag hadden we een afspraak in de binnenstad. We wandelden van uit Sultannamet naar de brug en klommen de berg op naar Taksim. Aan de voet van de toren daar, ontmoetten we Imma. Roelandt, ja, dezelfde die ooit mee was naar Mongolie, woont in China. Imma is correspondent voor de Italiaanse Vanity Fair en gebruikt Roelandt wel eens als local producer/stringer. Zij doet ook wel eens dingen in Indonesië en heeft daar dan ook stringers nodig. Nou ben ik ook wel vrij vaak in die hoek van de wereld en help graag mensen, vooral als die aardig zijn. Dus wilde ik haar leren kennen. Ze vertelde wat zij zoal doet (reizen, oorlogen en ellende, soms als douceurtje iets leuks en liefs). Daan en ik keken elkaar aan en zonder veel woorden er aan vuil te hoeven maken, knikten we instemmend: oorlogen, geweld, enge landen, vreemde mensen.. aha, dat wilden wij ook wel... Later vertelde zij over haar verhuizing van Beirut naar Istanbul, waarom ze niet meer in Italië kan wonen en over haar onthechtheid, geen vrienden, nooit op feestjes. Dat is wel een enorme flipside van het verhaal. ’t Geheel werd aanzienlijk minder attractief, maar het kuifje gehalte was spannend.

Na een uurtje wandelden wij terug richting hotel. Hoewel we een beetje geslapen hadden waren we niet echt uitgerust en voelde we ons ranzig en plakkerig. We kozen de terugroute op gevoel. Links, rechts rechtdoor, straatje met winkels, straatje met café’s, straatje met... heee, een badhuis... ja...

Een turks badhuis is een geweldige oplossing voor als je je smerig en moe voelt. Dit badhuis pronkte met het feit dat ze het oudste badhuis is en dat een heleboel celebraties er schoongepoetst zijn. Het was duur en het was geweldig. Een mooie marmeren koepel met zacht licht, hete marmeren platen om op te liggen, een grote snor die ons schoon boende en dan maar wachten in de hitte tot het zweet je uitbreekt om nog een keer hetzelfde rondje te gaan doen. Twee uur later stonden we weer rozig op straat. We wandelden naar het hotel, wierpen een snelle blik in een moskee met tegeltjes (niet blauw) en konden geen interesse opbrengen voor nog meer moois.
We hadden nog maar drie hoofdstukken te gaan in deze trip:
Eten, drinken en naar Amsterdam vliegen. (en ergens tussendoor moesten we ook nog slapen...)
Eten deden we op het dak van de buren; een dikke zeebaars met luidruchtige Amerikaanse toeristen.
We dronken een fles champagne op ons eigen terras met uitzicht over de Bosporus.
We sliepen samen in een klein bed, en sliepen dus niet. Ik snurkte Daan wakker en hij woelde mij weer wakker.
6 uur ‘s morgens na 4 uur slaap.
De taxichauffeur probeerde ons af te zetten. De rit kost normaal 35 lira, hij wilde 80. Wij gaven hem 35, keken boos en hij hield zijn bek. Heel geestig, reizen is leuk.
We kregen een sms van Wouter, hij was via Almati naar Bangkok gevlogen, had wonder boven wonder het voetbalgedoe geschrapt en was meteen doorgevlogen naar Singapore. Hij wilde natuurlijk al die cadeaus aan zijn kinderen en vrouw geven, die brandden in zijn handen en hij wilde de blije en tevreden blikken zien.

Zonder een woord te veel stapten we in het klaarstaande vliegtuig, gingen zitten en sliepen tot Amsterdam.
Op Schiphol stonden Mirella en Eva op Daan te wachten.

Eva lachte toen ze Daan zag en huilde toen ik naar haar keek. (for the record: Eva is 1 jaar oud).
Samen met Eva zat ik op de achterbank, zij keek boos naar mij en ik stak m’n tong naar haar uit.


Half slapend zeulde ik mijn tasjes naar binnen, strompelde de trap op en glimlachend viel ik in slaap.
Het regende licht in Amsterdam.

maandag 14 juni 2010

oezbekistan, 26 mei 2010

De zon scheen, de stad was rustig, het ontbijt was smerig en ik werd 46.
Het rondje dat we door de stad wandelden werd een beetje groter. Gisteren cirkelden we voornamelijk rond het stadsplein en de wijk er omheen, maar als je een halve kilometer verder loopt, een beetje kruip door sluip door over een markt en door een gangetje, kom je op een plein met een toren.
Niet zo maar een toren, maar de mooiste minaret die ik ooit zag. De voet is breed en over de lengte van 30/40 meter loopt ie taps toe, dan verbreedt hij zich weer en eindigt hoog in de lucht met kartelrandjes en versieringen. De huls van de toren is voorzien van versieringen in baksteen. 40 varianten van metselpatronen die gezamenlijk een kantachtig patroon maken. Ook voor deze minaret gold dat Djenghis Khan hem te mooi vond om hem neer te halen. Zelfs hij had zijn zwakke romantische momenten. De minaret stond in al haar schoonheid niet alleen. Dat doen minaretten nimmer, die horen bij een moskee. Net als in Samarkand staan de moskee en de medrassa tegen over elkaar en hebben ze een ferme gevel. De medrassa hier is niet toegankelijk omdat die nog in gebruik is. Bij de entree zat een vriendelijke knul die vertelde dat we niet verder mochten, we konden door een ijzeren hekwerk een blik werpen op de binnenplaats met bomen en daar rondom was een galerij met poorten en deurtjes. Op de eerste verdieping was een vergelijkbare galerij, er stond een fiets geparkeerd en jongens met haji petjes schuifelden er rond. Het was er stil. Aan de andere kant van het plein bij de minaret, was de entree van de moskee. Weer zo’n overdadige poort met een deurtje en daarachter een man die tickets verkocht. Op het grote binnenplein was een kleine achthoekige voetenwashut, en er lagen bidkleden te drogen in de zon. Verder was het binnenplein leeg. Er waren geen toeristen, de lucht was strakblauw, de koepel azuurblauw en de zwaluwen cirkelden rond. Een overweldigende rust en leegheid. Foto’s maken, rond wandelen, foto’s maken, tegels bestuderen, nog meer tegels en langzaam de boel op je in laten dringen. Het is lelijk Nederlands maar het is toch bijna niet anders te noemen dan ‘een schitterende schoonheid’.
Ter afsluiting van dit gedoe moesten we natuurlijk even aerobieen op het plein voor de moskee (we hebben nog net genoeg fatsoen om dat niet in de moskee te doen). Het wandelingetje door de stad vervolgden we totdat we bij een grote burcht kwamen, een fort.

Een jaar of 10 geleden waren Wouter en ik in Pakistan en hebben nogal wat moeite gedaan om in Derawar bij Het Fort te komen. Dat was geen verspilde moeite want dat fort was geweldig. Dikke muren die door de tijd uitgezakt leken, ondersteund door half-cirkelige bakstenen steunpilaren van enkele tientallen meters doorsnee. Dat fort stond midden in de woestijn (en was erg fraai). Deze hier leek er verdraaid veel op, maar stond midden in de stad. De muren hadden eenzelfde uitgezaktheid. Het leek door de tijd te komen, maar als verdedigingswerk was het eigenlijk wel slim. De muur komt recht uit de grond en wijkt dan naar achteren. Dat geeft niet alleen stevigheid, maar zorgt er ook voor dat een vijand die de muur op wil klimmen wel een heel eind moet gaan en dus makkelijk herkenbaar en te vernietigen is.
Tegenover de hoofdingang van dit fort is een oude Russische watertoren. Voor water is ie niet meer nodig, daar is waarschijnlijk een andere oplossing voor, maar nu kunnen geliefden en sullige toeristen een schriel wenteltrapje op klimmen (niet naar beneden kijken) en vanaf een plateau van boven het fort bekijken. We lazen wat waar was, wezen de kamer van de sultan, de ploert, zijn vrouwen en de stallen voor de maagden aan en besloten dat we meer behoefte hadden aan een stevige lunch dan aan nog een oud gebouw. Misschien ook wel omdat we drommen schoolkinderen naar binnen zagen gaan en ze boven op onze toren beneden hoorden krijsen en schreeuwen.
Via een moskee met een prachtig houten plafond (het was vrijdagmiddag en dus zagen wij strakgespannen billen en de voetzolen met kapotte sokken) liepen we naar een uitspanning. Buiten in de zon probeerden we iets te bestellen zonder lamsvlees (niet gelukt) en veel vitamines (niet gelukt).

Aan het begin van dit blog schreef ik al een keer dat het euvel van dit soort reizen is dat je niet verder komt dan 3 mannen in een decor. Het klinkt een beetje lullig, maar er is weinig leukers dan gedrieën door een onbekende stad te wandelen. We slenterden stevig door langs de lage behuizing, gooiden de aerobie op een dak en plukte die er met behulp van een man met een kar af. Op zich is dat geen Grote Gebeurtenis, maar het is wel charmant. Kinderen staan te kijken, wij mompelen wat onderling, we maken een grap en een plan en regelen een man met een kar. Passanten lachen schielijk, de man met de kar was slimmer dan wij dachten omdat ie de kar precies goed parkeert. Hij krijgt een hand, wij krijgen een tandeloze glimlach en we wandelen weer verder. Het is een vijf-minuten ervarinkje, niets meer en niets minder. Twee minuten later zijn we een poortje doorgelopen. Er is een binnenplaats en een mevrouw wil geld hebben om het dak op te kunnen, dus gaan we het dak niet op. Er staat een deur open en achter die deur is een fototentoonstelling. De fotograaf heeft zijn eigen foto’s van Bukhara opgehangen. Mooi en leuk om te zien dat het er in de winter heel anders uit ziet en dat het in de zomer heel warm kan zijn hier. Foto kopen? Nee, geen foto kopen maar doorlopen naar een minaret in de verte. Een kleine toren met een blauwe ui in top. De deur van de moskee is dicht. Voor de deur van de moskee is een diepe vijver met ver onder het straatniveau een paar druppels water, hel groen. Zo wordt een stad geconsumeerd, totdat we bij het hotel uitkomen. Ik ben verhaaltjes gaan schrijven. Daan en Wouter hadden nog een missie te vervullen en zijn de straat weer op gegaan.

De heren hadden een plek geregeld om te gaan dineren. Vanaf het plein bij de grote minaret zagen we een terras in de hoogte. Zij hadden bedacht dat het noodzakelijk was in verband met mijn verjaring een bijzondere plek te vinden om te eten. Nou waren we al een tijdje op pad en aten we iedere avond op een andere plek in een vreemd land, met steeds een wisselend uitzicht. Ik genoot iedere dag weer maar dat was niet bijzonder genoeg voor ze.


Op dat terras hadden ze de beste plek geregeld, aanbetaald en zich ervan vergewist dat er iets anders geserveerd werd dan lamsvlees.
De zon was aan het onder gaan als een grote rode bal links achter ons en de maan kwam op rechts voor ons. Deze trok een baan over de medressa en de moskee en ging richting minaret. Het plein voor onze neus was leeg, de gevels stonden in een avondgloed en de ober bracht Champagne. Evelyn had geregeld dat Daan en Wouter op een speurtocht gegaan waren naar bubbelwijn en de heren waren met Russische sprudel aan komen zetten. ’s Middags hadden ze die al in de ijskast van het restaurant gelegd. Ik belde Evelyn om haar te bedanken en voelde mij een tikkie jarig. We aten, maakten foto’s en genoten van het uitzicht. Het was waarschijnlijk niet echt nodig geweest om de plek te reserveren omdat we de enigen waren die deze avond van dit prachtige uitzicht genoten en van de kookkunsten van de kok. Voor de eerste keer op deze trip aten we echt lekker en was ik blij dat de oekaze van Wouter tegen lamsvlees mij niet betrof.
Toen we klaar waren met eten toverden Wouter en Daan een fles Alexandercognac uit hun tas. Een lelijke gitaarvormige fles met een soort cognac die niet erg naar cognac smaakte maar meer naar suikerwater met dropsmaak. Dit enorme cadeau had hun de volle €1,50 gekost en uiteraard was ik des te dankbaarder dat ik het niet op hoefde te drinken. Ik weet niet of het iets met mijn verjaardag te maken had, maar ik won de tweede ronde van de quiz. Gezien het chagrijn dat dit bij Daan opleverde had hij dit niet als een verjaardagscadeau gepland. Op het plein voor het hotel dronken we nog een paar kleine glaasjes bier en verbaasden ons opnieuw over de vrijpostige videoclips in contrast met de tafelende gezinnen met hoofddoekjes en snorren.
In het hotel viel Wouter in een diepe slaap en besloten Daan en ik nog wat sigaretjes te roken, een biertje te drinken en uiteindelijk was ook die fles Alexandercognac ineens leeg. We hebben in klaarblijkelijke staat het leven, onze huwelijken, de kinderen en het gebrek daar aan, de wereldtoestand, vroegere relaties en aanstaande verwantschappen doorgenomen en concludeerden dat het een zootje is, maar wel een aangenaam zootje. Er valt van alles te verbeteren op vele terreinen en op sommige gebieden is dat uiterst dringend nodig. Ook waren we tevreden dat we dat netjes in kaart gebracht hadden en dat we niet op onze lauweren hoeven te rusten.
We besloten, broodje nuchter, dat we over twee jaar, als we weer op reis zijn, opnieuw een lijstje zouden maken met dingen die we moeten verbeteren en dat daar geen van de punten op voor komt die er nu op staan.

De slaap die volgde was als een coma: wat die heerlijke cognac niet vermag...

zondag 13 juni 2010

Oezbekistan, 24 mei 2010

Hoewel het hotel heel prettig was, stelde het ontbijt niets voor. De groep Fransen had al gegeten en kwam al niet vrolijk uit de zaal en wij gingen er toch zitten, als een tuttig gezinnetje aan een tafel met bakjes fabrieksjam, klef brood en Nescafe. Hmm, niet mijn idee van een goed ontbijt op een exotische plek met mijn beste vrienden. Ik probeer al jaren het family life te voorkomen en dan krijg je het op zo’n manier opgediend.

We wandelden zo snel mogelijk weer naar het historische centrum en bezochten opnieuw de Registan, nee we willen niet een minaret op, we overlaadden ons met nog meer plaatjes van de gebouwen. In tegenstelling tot gisteren waren er iets meer toeristen, maar nog steeds kon je een kanon afvuren zonder dat er een ambulance hoefde uit te rukken. We dronken geen koffie maar aten een ijsje omdat bij het ijspaleis mooie meisjes zaten en er geen koffie verkocht werd. We liepen het ene gebouw in, het andere uit, kochten suffige souvenirs waar onder ook een paar historische foto’s van de Registan.
Het idee wat ik schreef over een tegeltje dat in de bakkende zon wat flets geworden is, was blijkbaar toch iets vrijer geïnterpreteerd dan ik gisteren nog dacht. De historische foto’s laten een bruisend markplein zin, markt met tenten en paarden, een scheve en verzakkende minaret die gestut is met palen en banden en verrassend weinig tegels tegen de gevels aan. De gebouwen zoals wij die nu zien zijn dus geen gevolg van een restauratie project, maar hebben meer te maken met sovjet herbouw, waarbij de amateur architectuurhistoricus zich natuurlijk meteen afvraagt waarop deze herbouw dan gebaseerd is. Ach, wat dondert het ook; zij verkopen een verhaal and we buy it...
We deden wat toeristen horen te doen op zo’n plek. Kijken, foto’s maken en geschiedenis lezen. Marco Polo wandelde hier rond, Alexander de Grote vond het hier mooi en Dzjengis Khan, niet de grootste liefhebber van mooiigheden op de wereld, was zo onder de indruk dat hij deze gebouwen, in tegenstelling tot de andere moskeeën, mausoleums en medressa’s die hij op zijn werkreizen tegen kwam, niet vernietigde.
Het blijft een bijzondere gedachte dat hier allemaal kleine jongens rondliepen die studeerden. Vanaf 1450 deden ze wiskunde, sterrenkunde en filosofie, wandelden naar de naburige moskee en sliepen op de vloer. Sinds de dagen van de USSR gebeurt dat niet meer, maar het kost weinig moeite ze rond te zien schuifelen.


Na een paar uur rondhangen, lunchten we op dezelfde minst vervelende plek als waar we gisteren dineerden. Vandaag voornamelijk omdat er naast deze plek een internetcafé zat. Ondanks het rijke bezit van iPhones en de alom aanwezige wifi-verbindingen, moest Wouter iets werkachtigs doen waarvoor hij een echte computer nodig had. Terwijl hij een booreiland kocht of zo haalde hij ook de plaatjes binnen voor de quiz.
In Mongolië zijn we begonnen met het houden van quizzen. Roelandt, Daan en ik waren daar de kandidaten in een weetjes quiz en Wouter was de quizmaster met een bijzonder klein Fred Oster gehalte. Bij mijnheer Oster heb je het gevoel dat hij alle antwoorden weet. Wouter weet vakkundig te verbergen dat hij enige kennis over de onderwerpen heeft waar hij vragen over stelt. Desalniettemin verzamelt hij echt goede vragen van over de hele wereld, inclusief geluidsfragmenten en illustraties voor de plaatjesrondes. Bijzonderder nog is de vaste ronde vragen over de plek waar we zijn en de actualiteit die we op de reis hebben meegemaakt. Dat verraadt toch een inhoudelijke kennis, vooral omdat de vragen over het algemeen niet lullig zijn. Roelandt was er op deze trip niet bij, dus werd het een wedstrijd van Daan tegen mij. In Mongolië had Daan lofrijk gewonnen. Mongolië ligt bezaaid met botten en resten van dode beesten. De prijs, de wisseltrofee, bestaat uit een ruggenwervel van een paard. Het bovenaanzicht van de ruggenwervel is prachtig. Door de gaten en de welvingen die er in zitten lijkt het op het gezicht van een lachende clown. De wisseltrofee heeft twee jaar lang aan het voeteinde van de echtelijke sponde op de Plantage Muidergracht gestaan, en Daan had Het Gouden Lachebekje nu meegenomen naar The Stans. De quiz om het lachebekje werd gestreden op verschillende zweterige avonden waarin drie rondes gespeeld moesten worden. Daan won de eerste. Iedereen met een heel klein beetje cijfermatig inzicht weet dan dat ik de tweede ronde won. Er kwam dus een derde ronde aan te pas en Wouter moest aan het werk om vragen te verzamelen en te verzinnen. Het is goed en bijzonder dat iedereen zijn taak op zo’n reis serieus neemt. Het mag dan allemaal wel een spel zijn, maar wel een vrij serieus spel.

Na dat inladen van data en eten liepen we verder. Achter de bazaar is een moskee. Natuurlijk moesten we eerst de bazaar over en dan lijkt het ineens of de mensen die hier wonen en werken zich niet interesseren voor al die prachtige gebouwen die er in hun stad staan. Ze zijn gewoon bezig schapenkoppen en uien te verkopen, bergen groene gemalen tabak die je handig onder je tong kan stoppen en allerlei andere ondefinieerbare dingen. Van de ene verheven historische setting ben je in een kleine minuut weer in de dagelijkse economie. De moskeeën waren prachtig. Gevels, binnenplaatsen, koepels, zwaluwen... ga er maar heen om het zelf te zien.

Achter de Registan, twee kilometer verderop, is een begraafplaats. Praktisch zal ik het een ‘levende begraafplaats’ noemen, omdat ie nog gebruik wordt. Nog steeds worden er Samarkanters bijgezet, voorzien van grafstenen met afbeeldingen van de doden die in het keiharde marmer getatoeëerd lijken. De gezichten van de recente doden zijn schrikbarend echt. Het lijkt een soort 3D afbeelding en ze zijn nagemaakt van foto’s van de dooien. In sommige gevallen kan je zien dat het best een leuke foto was. Vaker zijn het een soort geposeerde paspoortfoto’s, knalhard geschoten in een gebrekkig fotostudiootje. Je kunt je voorstellen hoe de nabestaanden op zoek zijn geweest naar een foto van opa om die op zijn steen te laten graveren, niets leuks konden vinden en dan maar die foto uit zijn reispas namen. De graveur was zo aardig om de gaatjes van de nietjes niet mee te nemen in het finale beeld maar verder is het niets verhullend. We kwamen niet naar deze dodenakker om de recente doden te zien, maar om de oude graftombes te aanschouwen. Het centrum van de begraafplaats is het Guri Amir Mausoleum. Dat ligt in een straatje dat opwaarts loopt, een paar treden op en dan verder. Aan dit straatje liggen een 30 tal mausoleums, allemaal kleine juwelen. Het verbaast niet dat er blauwe tegels aan te pas komen. Eigenlijk zijn het kapelletjes, een soort stupa’s waarbinnen niet veel gebeurt, behalve dat er een soort langwerpig huisje in staat (daar lijkt de dooie in te zitten, gefopt, die ligt in de ontoegankelijke kelder, dit huisje is alleen ter aanbidding en om de dode niet te storen.). De buitenkanten van de mausoleums zijn simpel en strak, maar rond de entree is het een wirwar van de tegelpatronen, de Arabische schriften en veel reliëfs, hoekjes en ribbels, allemaal van tegels.
We wandelden rond, raakten elkaar kwijt en troffen elkaar weer. We hadden nog een missie op deze dag en dan was het oude-stenen-bekijken ten einde. Daan wilde naar het graf van Daniël. Ik ben niet zo bijbelvast, maar Daan vertelde dat hij naar de oudtestamentische profeet Daniël vernoemd is. Nu is Daan ook niet zo bijbelgevoelig en wist niet zo heel veel over de Goede Oude Daan te vertellen (behalve dat hij in een leeuwenkuil werd gegooid en dat uiteraard overleefde). Misschien dat we eens bij de ouders van Daan ten rade moeten gaan, want die weten natuurlijk wel naar wie zij hun zoon vernoemden. De profeet Daniël ligt hier begraven en hij kan een kunstje. Op de helling van een berg, vlak bij een lieflijk riviertje waar jongens aan het zwemmen waren onder de bomen, is de laatste rustplaats van Daniël. Voor een dode is het een merkwaardig lang gebouw. Als je binnen komt is het nog vreemder. Die oude Daan heeft een extreem lange tombe, echt heel lang. De hele lengte van het huisje is gevuld met een hoge rechthoekige vorm, daar overheen ligt een fluwelen doek die voorzien is van Arabische teksten, lekker dik geborduurd. De tombe is 18 meter lang! De Oude Daan kan een kunstje want hoewel hij dood is blijft ie door groeien, zeggen ze. Hij groeit met zo’n anderhalve centimeter per jaar en dat doet ie al vanaf de 5-de eeuw voor Christus. Ja, dan kom je al snel op een respectabele lengte van zo’n 17 meter nog wat. Daan wandelde er rond, waste zijn gezicht in de het heilzame water van de beek, strekte zich voor de foto uit naast Daan–De-Lange en we verlieten de plek weer, een tikkie lacherig.

We daalden af naar ons hotel om daar ’s avonds in de buurt een traditionele pasta bolognese te eten naast het internet cafe met de betere verbinding. Weer niet laat in bed, de rock ’n roll was ver te zoeken.