alexandervaleton@gmail.com http://alexandervaleton.tumblr.com/

Pagina's

Posts tonen met het label Tanzania. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tanzania. Alle posts tonen

dinsdag 26 oktober 2010

op zoek naar kwaliteit

In de maand augustus was ik ca drie weken in Tanzania en nu weer.
Toen ik hier de vorige keer was, was ik aan het uitzoeken of ik hier langere tijd naar toe wilde. Niet specifiek Tanzania, maar Oost Afrika in het algemeen. Ik had eigenlijk nooit over de mogelijkheid nagedacht naar Afrika te gaan, maar dit project kwam op mijn weg en ik wilde het een heel erg serieuze overweging geven.
Met maagdelijke ogen kwam ik in Nairobi aan en vloog een paar dagen later door naar Dar es Salaam. Landde hier en reed in een stroperige file naar het kantoor. Ik keek om me heen en vond alles lelijk, vies en onaantrekkelijk.

Het werk dat ik deed vond ik geweldig leuk maar als dat klaar was voelde ik mij een gevangene in de tuin van Captain John. De grote wilde wereld was buiten het hek, de guard was als een Cerberus voor de bruisende hel achter de poort en mijn nieuwe ogen wilde alles opsnoepen en ondervinden, ik wilde naar buiten, maar wist niet zo goed hoe, of waarheen. Door mijn collega’s hier werd ik meegesleept van het ene restaurant naar het andere, van de ene kroeg naar de volgende discotheek en ik vond alles vrij lelijk, onverzorgd en knoestig. Het strand met de lauwe zee was vol plastic en kapotte flessen, het vlees op het bord was pezig, de vis te lang gebakken, de groentes te lang gekookt. De architectuur hier vond ik ongeïnspireerd en goedkoop (op de prachtigste plekken langs de kust staan de meest monstrueuze spiegelglasconstructies met chromen details). Langs de boulevard in het oude centrum staan een paar fraaie gebouwen, maar die zijn verborgen achter reclames van telefoonaanbieders. Mensen zijn meestal onverzorgd, de kleren zijn wel schoon, maar van een allergoedkoopste Zeeman kwaliteit; het knettert van de terlenka. Op terrassen staan goedkopen kopieën van toch al lelijke Hartmanstoelen, vaak lichtelijk gescheurd. In het algemeen was ik hongerig op zoek naar kwaliteit.

Sinds augustus ben ik 3 weken in Nederland geweest en was ik 3 weken in Nairobi, heb een reisje naar Kampala in Uganda gemaakt en ben nu weer hier in Dar es Salaam voor een dikke week.
Heel langzaam beginnen mijn ogen te wennen. Het sleutelwoord in wat ik mis blijft wel degelijk ‘kwaliteit’, maar ik zie ook andere dingen. Als je er slim mee omgaat hoef je niet in de file te staan, als je een beetje plant en kiest hoef je geen pezig vlees te eten. Ik heb inmiddels een meubelmaker gevonden die op een min of meer traditionele manier stoelen en bedden kan maken die niet lijken alsof ze van het allergoedkoopste hout in een half uurtje in elkaar getimmerd zijn met kromme spijkers. Veel mensen zijn erg modebewust, maar het aanbod is minimaal, als er genoeg vraag ontstaat zal het aanbod ook wel komen. Afgelopen week zat ik op een leren bank, echt het prachtigste leer, alhier gelooid. In mijn strooptocht naar appartementen werd ik aanvankelijk verblindt door de lelijkheid en het idee om in een DDR compound te moeten wonen. Inmiddels heb ik kleinere compounds gezien met appartementen die in detaillering aandachtiger gemaakt zijn, met mooie houten vloeren en waar het terras er niet aangehangen is omdat dat geld oplevert, maar omdat het een geïntegreerd deel van het huis is. Omdat er een sterk groeiende middenklasse is zal de vraag naar betere spullen groeien. Kwaliteit is te vinden, het is alleen erg duur.

Mijn Europees/Aziatische smaak is niet dezelfde als die van de Afrikanen, maar de groeiende globalisering zorgt er wel voor dat de stijlen en trends die overal op de wereld hip zijn ook naar hier waaien. (In een boekhandel zag ik een stapel boeken liggen over Thai living, Bali Style en Hong Kong apartment design). Op die manier wordt de vraag gecreëerd. Er zal een Afrikaanse invalshoek aan gegeven worden want er lagen ook boeken van Zanibar palaces, Lamu style en Safari living (dat laatste is dan weer een 19-de eeuwse variant op de Brits koloniale vormgeving; maar wel met Afrikaanse materialen en ook dat is een onderdeel van de Afrikaanse geschiedenis.

Nu vraag ik mij af of ik deze dingen langzaam begin te zien omdat mijn cynisme voor het leven hier afneemt (ik heb immers besloten hier een tijd te blijven en dan is cynisme een martelwerktuig) of dat mijn ogen wennen en ik door het bos de bomen ga zien, of dat ik mij al aan het aanpassen ben en genoegen neem met de lelijke rotzooi en het kleinste flintertje kwaliteit om het vonkje van hoop op leven in een esthetische wereld te laten ontbranden en dat het grosso modo nog steeds en smerige teringbende is.


Gisteren reed ik hier door het centrum en de oude koloniale wijk net noordelijker en ik genoot van de gebouwen. De Afrikaanse op Art Deco geïnspireerde huizen zijn geweldig en de dingen die net na de onafhankelijkheid gebouwd zijn, zijn minstens curieus. In veel Afrikaanse landen (maar ook in Indonesië en Cambodja bijvoorbeeld) is er meteen na de onafhankelijkheid gezocht naar een ‘eigen stijl’. Er werd een staatsarchitect aangesteld die die nieuwe identiteit moest vormgeven. (Hier werd Almeida dat, in Cambodja Vann Molyvann en in Indonesië deed president Sukarno het zelf). Er bestaat een geweldig boek over ‘Independent Architecture” uit de jaren 50. De uitvinding van het gewapende beton was een revolutionaire stap om het mogelijk te maken om nieuwe ‘iconic buildings’ te scheppen en te laten zien hoe vreselijk onafhankelijk die landen geworden waren. Het vliegveld, stadion, het Nationale Hotel met converentie zalen en soms ook het parlementsgebouw. Wapperend beton, golvende gevels, bizarre luifels en honingraatvormige zonweringen. Allemaal blijken van onafhankelijkheid, eigen identiteit en grote technologische kennis. De vooruitgang en het optimisme dropen van de gebouwen af.

Die gebouwen zijn meestal solide gebouwd en kunnen wel tegen een stootje. Die stootjes hebben ze in de afgelopen jaren gehad; het positivisme van Afrika is sinds de onafhankelijkheid van de meeste landen gedrenkt in bloed, in corruptie, in onmogelijkheden, in HIV-Aids en andersoortige tegenslagen. Inmiddels zit in elk geval Oost Afrika in de lift. Gisteren zag ik dat van een van die gebouwen de metershoge reclames werden weggehaald en dat de gevel geschilderd werd. De vraag is of dit een klein en voorzichtig blijk is van de herwaardering van die postkoloniale architectuur, of dat er gewoon een nieuwe lik verf op moet om de hartenkreet van Vodafone duidelijker uit te laten komen.

Het gunstige is dat niet alles spiegelglas en chrome wordt.

extra hygienische maatregelen - pikkie wassen

Op radio, tv en in alle media wordt veel aandacht besteed aan het feit dat je jezelf goed schoon moet houden. Er waren acties in de krant te lezen over mensen die hun collega onder de douche zette (hardhandig) omdat ze last hadden van lichaamsgeuren, en in de winkels is een enorm assortiment aan deodoranten te krijgen. Verschillende NGO’s zetten zich in om mensen aan te sporen handen en geslachtsdelen, oksels en andere krochten van het lichaam goed te kuisen. Een paar multinationals hebben ‘sanitation’ in hun goede doelen programma’s opgenomen. Onze vrienden van Unilever doen daar veel aan. Het is bekend dat 33% van de veel voorkomende ziektes in dit deel van Afrika voortkomt uit het niet genoeg wassen van handen. Over ziektes als gevolg van vieze geslachtsdelen is minder bekend, maar dat zal ook aanzienlijk zijn.
De campagnes werken.
Gisteren was ik op het vliegveld en ging daar even naar de WC. Dat is niet zo’n vrolijke plek. (ik gruwel zelf altijd van de deurknoppen, dat was in dit geval niet nodig; er waren geen deuren.) Na het plassen stond ik mijn handen te wassen en naast mij kwam een mijnheer staan, nadat hij zijn handen gewassen had deed hij zijn broek open en ging zorgvuldig zijn pik wassen. Via de spiegel was het prima te volgen. Naast hem kwam een man staan die precies hetzelfde deed. Eerst handen wassen en daarna het geslacht. Aanvankelijk was ik verbaasd, maar eigenlijk is het een goede gewoonte, het is alleen zo ‘in your face’.
Ik denk dat er binnenkort een nieuw meubelstuk in de heren wc geïntroduceerd moet worden; het pikwasbakje en de piemeldroger. Een nieuwe designopgave.

zondag 24 oktober 2010

kantoor in Tanzania, stront in de tuin

Op dit moment ben ik in Dar es Salaam.Onze operatie draait hier in full swing. We zijn dagelijks op tv en het programma is nog razend succesvol ook.


We huren hier een kantoor en daar zitten dagelijks, van ‘s morgens 6 uur zit er een 10 tal mensen te werken. Het kantoor is geen kantoorgebouw, maar het grote tuinhuis van Captain John. Captain John was tot en paar maanden geleden de piloot van de president. Hij heeft een normaal huis, 4 bloedmooie dochters en een heel grote tuin. Hij heeft een guard annex tuinman, Christopher, die niet helemaal goed bij zijn knikker is. Capt. John heeft hem gered van het lijmsnuiven, volgens mij kwam die redding te laat; een groot deel van zijn hersens is al weggevaagd.
Captain John bewaakt huis, haard en dochters met 4 grote honden. Overdag zitten die in een klein hokkie te piepen en te janken in de zon. ’s Avonds lopen ze wild rond. Guard Christopher is bang voor de honden en het gedrag van die honden wijst er op dat ze vroeger ook lijm gesnoven hebben; volledig onberekenbaar, schichtig en met een extreem kort geheugen (staan ze tegen je op te kwispelen, moeten ze even iets doen tegen een vlo in hun kruis en vervolgens grommen ze met de staart tussen hun poten weg om dan drie stappen verder zich te bedenken en weer tegen je aan te gaan rijden... in vijf seconden 4 mood swings klinkt merkwaardig).

In het rustige leven van Captain John zijn wij een onrustig zootje. In en uit lopen, mensen van die malle media, onregelmatige werktijden, een gate die open en dicht moet met het gevaar van weglopende dochters, auto’s op de parkeerplaats en een overwerkte Christopher.

Bij het kantoor is een piepklein appartement. Een slaapkamer en een douche. Nu ik in Dar ben slaap ik in dat hokje. Dat is wel te doen, maar niet ideaal, Maar Capt. John heeft een angst factor erbij; een blanke die er ’s nachts slaapt en wel eens een praatje met de dochters maakt. De meiskes zijn zo braaf als kan wezen, maken grapjes die nauwelijks ondeugend zijn en gaan op zondag met de bijbel de deur uit, ze kleden zich decent en ik denk dat er nog nooit een wulpse gedachten in hun hoofd in opgekomen. Ze zijn saai voor woorden, maar wel mooi.

Captain John heeft ons huurcontract opgezegd. We zitten er nu bijna een half jaar en dat van is wel genoeg, vind hij. We zitten hier niet zo slecht (ook niet heel goed trouwens) en verhuizen is gedoe. We kunnen er maar niet achter komen wat het probleem is, waarom ie ons wegstuurt. Hij zegde de huur op per sms, terwijl wij elke dag gewoon op kantoor zijn en met enige regelmaat een praatje met hem maken. Wonderlijke manoeuvre.
De dag nadat hij de huur opzegde gebeurde er vreemde dingen. Er stond een vrachtwagen in gemanicuurde tuin; een vrachtwagen vol stront. Christopher klom er op en begon de vrachtwagen te legen. Over het prachtige korte gras werd een dikke laag koeienpoep geschept. De poep was lekker vers en er kwamen dus heel veel vliegen op af.
Diezelfde dag hielp onze airconditioning er mee op. Iets met een zekering in een elektrisch doosje dat hermetisch dicht zit en dus niet open kan.
Geen airco betekent dat alle ramen en deuren open moeten om een beetje tocht te genereren. Ramen de deuren open betekent nu: dikke koeienpoep lucht binnen (het went) en heel veel vliegen (went niet).
Vandaag is het zondag en ik werd vanmorgen gewekt om 7 uur omdat er een nieuw vrachtwagentje binnen reed; één lading was niet genoeg; de rest van de tuin moet ook bedolven worden onder de stront.
Ik klaagde vanmorgen over de vliegen en Captain John zei dat we beter moeten schoonmaken. Ik wees op de koeienpoep en hij zei: “Nee, daar kan het niet aan liggen; that is natural.”
Wij krijgen ook internet via Captain John en sinds vrijdag doet dat het ook niet. Wij kunnen niet werken zonder internet en ik denk dat er een verband is tussen koeienpoep, internet, airconditioning, vliegen en de huuropzegging.

Alleen even voor het beeld: vlak achter de tuin van Captain John is een vuilstortplaatsje en in de tuin zitten duizenden kraaien. De maken een eng geluid en zeker rond zonsondergang is de vergelijking met Hichcocks ‘Birds‘ voor de hand liggend. Het zijn angstaanjagende beesten. Ik vind het niet zo erg om hier weg te gaan met het kantoor, maar verhuizen is gedoe. De komende dagen ga ik eens op zoek naar een leuk en sexy kantoor hier.

vlucht Kenia naar Tanzania

De luchthaven van Nairobi is niet zo'n fijne en getunede plek als Schiphol, Changi of het vliegveld van een moderne westerse stad. Het heeft meer het gevoel van het oude Charles de Gaulle, Heathrow of tja gewoon Nairobi. Het is rommelig, de gangen zijn te nauw er ligt zeil op de vloer, de tax free shops verkopen allemaal hetzelfde (Keniaanse koffie, Quality Street, Bata safari shoes en masaai dekens). De douane werkt niet zo goed, de mannen achter het loket moeten te veel handelingen doen en de processor van de computer is niet meegegroeid met de hoeveelheid reizigers. Het plan van het ministerie van toerisme om van alle reizigers een foto te maken, van tien vingers de fingerprints te nemen en van alle reizigers een formulier te willen over wat ze deden en hoe lang ze dat blijven doen. Op die manier kan je heel goed lange rijen veroorzaken. Er waren twee loketten onbezet en ik vroeg mijn douanier waarom er niemand naast hem zat: “de fingerprint machine is stuk”, zei hij. “O, is die bij die andere rij ook stuk?” “Nee nee, die man is vandaag niet op zijn werk gekomen”. Dat klinkt toch als een snoeptaartje voor een change manager...

Door de zeilvloergangen wandelde ik langs de winkels met half slapend personeel naar het café. Men heeft inmiddels uitgevonden dat cappuccino en macchiato beter verkoopt en meer oplevert dan slappe doorloopkoffie of Nescafé achtig spul. Misschien heeft het ook te maken met het geklaag van de gasten, by public demand is er een machine uit Italië overgevlogen en nu wordt en espresso gemaakt. Vrij goede espresso zelfs. Er zijn lange wachttijden op iedere luchthaven en er is niets te doen op dit vliegveld, de koffie is hier puik en dus is het café vol, barstensvol. Er staat een rijtje mensen voor de bar te wachten, want er staat een rijtje obers voor het cappuccino en espresso apparaat. De workflow is niet geheel lekker, er staat namelijk ook nog een rijtje obers voor het hete melk machientje. Ik was, wachtend op mijn lekkere ontbijtkoffie aan de bar gaan zitten en met verbazing heb ik gekeken hoe omslachtig het werkproces is. Er worden te veel stappen gezet, te veel handelingen gedaan en niets kan op een automatische piloot, wat soms wel erg handig is. Voorbeeld: na ieder kopje koffie moet het bakje waar de koffie ingezeten heeft met een harde klap geleegd worden in een vuilnisbakje. Dat gaat nooit goed, iedere keer komt een deel van de koffie naast het vuilnisbakkie terecht. Het leveren van de koffie heeft voor de barrista een prioriteit, dus doet ie dat eerst, de volgende in zijn rij moet dan dus beginnen met het schoonmaken van het werkblad. Maar er is geen doekje en de wasbak is een eindje verderop, een paar passen, maar die passen kruisen de weg van de melkmachine, waar de vorige koffiemaker staat te klooien, tegenover de toonbank met de rusteloze klanten. De bijna botsing wordt een elegante schaving met het natte lapje (niet zo heel schoon) wordt de actie dan afgemaakt. Zo gebeurt dat na ieder kopje, niemand bedenk dat er een groter of steviger vuilnisbakje moet komen, of een emmertje met sop naast het apparaat.
Het is duidelijk, de stroomlijning van de workflow en de aërodynamica van de werkplek hebben wat aandacht nodig. Maar het levert wel een leuk schouwspel op, tenminste als je die koffie al voor je hebt staan, indien je nog staat te wachten is het een ergerlijk en klungelig toneelstukje.
Naast mij zat een frans echtpaar. Niet zulke leuke mensen. Zij was een lief schatje, een aantal jaren geleden, nu was ze een ontevreden rat. Hij was te netjes gekamd met een afrits safaribroek.
Madame was nogal eigengereid en vervelend, een beterweter. Het was 6 uur 's ochtends en we zijn in de tropen. Mevrouw heeft bedacht dat ze een lekker kopje warme chocolade wil. Als je drie seconde kijkt naar hoe de dingen hier georganiseerd zijn kan je op je vingers natellen dat dat een onwelkome onderbreking van de koffiegerelateerde routine is. Een vriendelijke, beetje verlegen jongen, achter de balie zegt: “really”? En zij zegt: “no hot choclate?” En hij antwoord, met een scheef lachje:  “ma'am”. En dan gaat ie iets doen met poeder en melk, een papje maken, dan warmt ie de rest op zoals je melk warm maakt voor koffie en de vrouw roept door het drukke cafe, "No foam... " De jongen probeert verder de boel warm te maken zonder schuim te produceren. Da's nog niet zo eenvoudig want zijn snelcursus koffiemaken ging waarschijnlijk over schuim maken. Hij doet z'n best de zij schudt haar hoofd en slist tussen haar tanden. Knikt naar haar man aan en zoekt naar bijstand. Hij staat er lamgeslagen bij, waarschijnlijk kent ie haar al en weet dat verzet zinloos is. Dan komt dat geurende en dampende bekertje chocolade tot stand. De ober zet ook het mandje plastic lepels en vorken neer en een bak servetten alsof het een keizerlijke maaltijd betreft. De jongen loopt weg, de vrouw neemt een slok en als door een bij gestoken roept ze "Sir, mister, boy, garçon...I need to talk to ..." hij draait zich om (alle obers, koffiemakers en alle klanten draaien zich naar haar toe) en ze zegt: "this milk is not good".  Met zo'n opmerking kan je alle kanten op, maar de jongen pakt de beker, kijkt er in, ruikt er aan en zegt onverstoord: "Nothing wrong", terwijl hij de drank in de gootsteen giet. Hij pakt het pak melk en ruikt er aan: "Nothing wrong", hij kijkt naar de vervaldatum, en zegt: "sStill safe". Dan pakt hij een beker en de chocola en zet die klaar om, nadat ie de andere koffieklanten geholpen heeft nog eens zo'n geurige chocodrankje te maken.
Nu zal ik even shortcutten maar je snapt dat ik niet de enige was die het toneelstuk bekeek.
Na een kwartiertje had madame een nieuwe, ze rook er aan en zei: “Still the same, still not good, can't you just check the milk before you use it?" Psychologisch is dat een leuke opmerking: zij weet dat iedereen in dat vroegeochtendcafé koffie met melk drinkt, uit hetzelfde pak, zij weet dat iedereen luistert en met die opmerking stelt ze zich ruimschoots boven ieder ander. Ze maakte het nog erger door toe te voegen dat ze zelf in the milkbusiness zit en het dus kan weten. Aha, mevrouw is een autoriteit, dus wij zijn allemaal domme stumperds die niet weten dat wij verrotte zaken aan het opdrinken zijn. De man die de hete chocolademelk maakte had volgens mij, ondanks zijn verlegenheid, de enige goede oplossing. Hij pakte de beker en hield die hoog boven de wasbak en schonk hem leeg, liep naar de kassa en gaf de vrouw haar shillingen terug.
De vrouw keek verbouwereerd, vroeg zich een korte seconde af of ze boos zou worden, zou gaan lachen of met stille trom de deur uit zou gaan. (haar man, de sukkel keek inmiddels naar een voetbalwedstrijd op tv). Zij zette in op een elegante alles of niets actie en zei: “thank you, can I please have a croissant? Darling, you want a croissant too?” De man achter de toonbank zei alleen: “Sorry, ma’am you can not have a croissant because I am afraid that you will throw it at me, when it is not to your satisfaction and it is a Kenian croissant.”
De vouw keek verbouwereerd en haalde haar schouders op, Minder dan een minuut later waren ze vertrokken, de man met de koffer op wieltjes achter zijn ega aan.

Een uurtje later liep in in de vroege ochtend over het vliegveld (tarmac vindt ik altijd zo’n leuk woord). het is strikt verboden daar foto’s te maken. Maar ik zag een mijnheer op mijn koffer zitten, dat vond ik weer plezierig kleinschalig. Een soort bewijs dat ie echt mee op reis gaat.
De vlucht was gewoon saai, er zat een mijnheer naast me die de hele tijd aan het bidden was en bij het kruisjes slaan kreeg ik steeds een elleboog in mijn zij. Ik heb het niet zo op dat religieuze gedoe en op deze manier wordt het opdringerig. Wel leuk dat de stewards en stewardessen bij Precision Air safari pakjes dragen, da’s wel weer in style.

maandag 30 augustus 2010

Fietsen door de Slum (fout woord)

Vorige week schreef ik een blogje over het zoeken naar en Gym in Dar es Salaam, Tanzania. Het ging daar niet over, maar het kwam er wel veel in voor. Ik kreeg nogal veel reacties, mensen die bang zijn dat ik heel veel kilo’s zwaarder geworden ben en langzaam vervet omdat ik geen gym gevonden had. Voor hen de troostende opmerking: ‘spieren zijn zwaarder dan vet… ik kom inderdaad weer zwaarder terug. Heb gym gevonden, heb gezweet en getraind, en vond er, zoals gewoonlijk, geen donder aan.’ Maar de dag er na voelde ik me wel beter, steeds weer.

Afgelopen week heb ik mijn klus in Dar es Salaam voorlopig afgerond en ben doorgereisd naar Arusha nabij de Keniaanse grens. Woensdag reizen F. en ik verder en zijn dan nog en paar dagen in Nairobi. Er is daar een Afrikaanse tv beurs. Ben heel benieuwd hoe anders het is dan de tv beurzen in Europa.

De dagen in Dar begonnen een beetje op de tast met voelsprieten, met eerste initiële reacties, een eerste kijk in de keuken en klungelig heen en weer rijden met een auto met een autistische chauffeur. Op een één of andere manier kon ik geen grip op die stad krijgen. In veel steden lukt het wel om bakens te herkennen, om een grid van de wegen te snappen, en steeds te weten waar Noord en dus Zuid is. Door de merkwaardige ligging van Dar lukte dat daar niet. Net te noorden langs de kust is er een schiereiland in zee, op dat schiereiland (niet te veel bij voorstellen) stond ons kantoor en ook de rest van de luxe villa wijk. Doordat de wegen niet recht lopen maar kronkelen langs bergen, langs de zee, en langs oude gebouwen of dingen die er waren voordat er wegen gemaakt werden, raak je de oriëntatie kwijt, doordat de zee dan weer links en dan weer rechts van je is weet je niet meer waar het noorden is. Echt belangrijk is dit niet, maar het idee om een stad, in elk geval geografisch te begrijpen, helpt wel bij het accepteren en begrijpen er van.
80% van het werk deed ik op kantoor en aan het kantoor vast was een klein appartement dat ik bewoonde. Er was dus ook niet veel noodzaak de deur uit te gaan. Maar op een gegeven moment vond ik het toch echt te dol. Via via hoorde ik van cycletours door de stad. Ik reserveerde en meldde mij ’s morgens, met een paar mensen die ik slecht kende, bij een shoppingmall. Daar zat een benige jonge man met een indrukwekkende bos haar in een theedoek gewikkeld met een bosje fietsen. De fietsen zagen er puik uit, de bandjes vol lucht, en hij vertelde schematisch wat we gingen doen; een kleine 30 kilometer door de slums fietsen.
Er zijn nogal veel slums in Afrika en in alle landen verschillen die van kleur gevoel, ontstaansgeschiedenis en waarschijnlijk ook van toekomst.
Nou ben ik wel eens eerder in een slum geweest en die zijn over het algemeen niet opbeurend. Tegenwoordig mag je niet meer slum zeggen, maar heet het ‘informele stadsuitbreiding’. Valt waarschijnlijk in dezelfde Amerikaans gedreven correctheid waarmee ook ‘eskimo’, ‘zwarte’, ‘indiaan’ en nog wat termen (voorlopig) in de ban gedaan zijn. Slum mag dus ook niet meer.
Goed, wij reden door de slum en eigenlijk vond ik het allemaal wel netjes. Vrolijke kinderen die beschaamd lachten, ze speelden met een lekke bal. De straten waren niet verhard, maar dat geld voor wel erg veel straten op dit continent en de boel was redelijk schoon, redelijk aan kant, redelijk kalm en zonder heel veel smerige vliegen en vooral; de lucht was schoon. Een van de plezierige dingen van Dar is dat er niet zo veel industrie is en dat het aan de kust ligt. Het waait er vaak schoon en de lucht wordt niet zo intens vies. Zo’n slum, met smerige riviertjes waar uitbuikende kinderen zich in wassen terwijl hun broertje er een paar meter verderop in staat de zeiken is een weinig hoopgevend gezicht. Een ander ding was dat die slums hier niet zo eindeloos waren. Van de ene buurt pedaalden we naar de volgende, we keken bij een gezin thuis; 17 mensen in 4 kamers, en iedereen lachte erop los, we kregen thee en een vettige verse boterham, vader zat op de stoep schoenen te lappen, zoonlief oefende engelse woordjes en het beeld was eigenlijk wel vredig. We fietsten door en kwamen bij een mini coöperatie; de ene man levert koffie bonen, de ander heeft en vuurtje, de derde een pan en de vierde kan heel goed roeren. Dan is een jongen die de versgebrande koffiebonen heel mooi kan verpulveren en een mevrouw voor de finishing touch: zij kookt het water en giet dit over de verse bonen. Resultaat: een grote pot koffie; daarmee gaan ze de markt over en iedereen die een kopje wil krijgt een schoon kopje, een bodempje drabbige koffie en de makers, krijgen allemaal een paar centen. Het economische model is schimmig; ik ben erg voor outsourcen, maar niet tegen elke prijs; ik denk dat een iemand dit klusje best in een kwartiertje in zijn eentje had kunnen fiksen; maar dat gaat in tegen het algemeen belang dat er zoveel mogelijk mensen een bammetje kunnen verdienen en waarschijnlijk zou de geldverdiener netto toch tegen het onderhouden van de andere makkers aan lopen. Dan kan je ze maar beter een baantje geven en zelf ook in de schaduw gaan zitten wachten, zonder de status van ‘het baasje met personeel’, maar gewoon met je vrienden, je partners in crime.

Zo fietsten we van de ene wijk naar de volgende, de ene moslim, de ander christen, de ene heel arm, de andere iets minder arm. Op de markt zagen we wat mensen eten en werden daar niet gelukkig van, nogal veel vliegen (hier wel). Een paar staten verderop zagen we hoe de zak van Max geleegd wordt; de spijkerbroeken uit Denemarken, Oostenrijk en Nederland worden gewassen, gerepareerd en verkocht. Puike broeken voor een paar Euro’s. Het zou nog best en business model kunnen zijn om ze zelf hier weer op te halen en... nee: focus.
Rijen en rijen winkels met spijkerbroeken, t-shirts, sleetse pakken, specialisten in witte overhemden en ik kon mij die goedbedoelende tante in Zwolle, Zutphen, Zaandam en Zierikzee voorstellen die, ach en wee knikkend en in gedachten bij dat kleine zwarte mannetje met die dikke buik de oude kinderkleren in een Zak van Max propt. Ze weet niet dat het keiharde handel is op een levendige markt in Tanzania. Belerende speakers, sjansende meisjes, een paar miljoen vliegen, handige afdingers en een paar blanken op mountain bikes.

Na een paar uur kwamen we weer terug bij de shopping mall. Ik was blij dat ik andere delen van de stad gezien had dan waar ik tot nu toe was geweest was, maar had ook een vreemde smaakt in mijn mond. Geld betalen, (nee, het was niet veel, maar toch...) om naar mensen te kijken die geen geld hebben. Je te vergapen aan het gebrek aan van alles; geen wegen, geen water, geen scholen, geen toekomst... je kan bijna niet anders dan ‘oh gossie’ zeggen en er meewarig bij kijken bij de aanblik van de endeldarm van de samenleving. De vergelijking is cru, maar het had toch iets van een dierentuin waar je naar de ijsberen kijkt en denk: tjonge klein en smerig hokkie, hmmm ziet er niet zo leuk uit, en dan ijsjes likkend doorloopt naar de wolven die gefrustreerd hetzelfde traject draven, je denkt: sukkels, en de vogels hebben last van uitvallende veren, de giraffe kan niet door de deur en aan het eind van de dag sta je buiten heb je een smakt centen uitgegeven en denk je: ”wat een fantastische dag; lekker veel gelopen ook”.

Toen we fietsten vroeg ik mij af: deze slum is niet heel prettig om in te wonen, maar is echt veel minder erg dan die ik Kenia, in India in Brazilië... Deze jongen hier heebn het niet lekker, maar die mensen elders... dat zijn verwarrende gedachten: Zo’n gevoel hoor je niet te hebben als je de slums uit komt en weer in de airco auto naar huis rijdt, de chauffeur een paar centen geeft, biertjes koopt bij de supermarkt en ’s avond fantastische pizza’s eet bij een Italiaanse joint aan de kust. Dit soort gedachten passen niet in het beeld als je gewapend met een fles wijn naar een feestje gaat, ’s nachts hossend door een discotheek stuitert en de volgende dag toch maar niet dat boottochtje gaat maken omdat de goedkope wijn voor een klotsende kater zorgt. Die werelden passen niet bij elkaar en toch zijn ze hier maar een paar meter bij elkaar vandaan. Het is een mind game om die dingen toch op elkaar aan te laten sluiten.


Effe wat anders, iets heel anders:

De afgelopen dagen zijn er ineens allemaal mensen die ik ken overleden. 3. Nou staat ‘de dood’ in Afrika in het algemeen dichter bij ‘het leven’ dan bij ons, maar deze doden die te betreuren waren, waren allemaal Nederlanders die er ineens, als donderklap bij heldere hemel, mee ophielden. Op zich zijn het 3 mensen die ik een beetje tot redelijk ken, maar die ik wel allemaal al heel lang ken.
Ik zal er, om het bruut te zeggen, geen minuut minder om slapen, maar toch merk ik dat ik de hele dag aan de doden, de nabestaanden, de vrienden en vooral die kleine kinderen die ze achterlaten, denk. Ik merk dat ik er toch narig van wordt, en weet dat mijn narigheid een kruimeltje is in vergelijking met het eindeloze leed dat de nabij-en is aangedaan door het verdwijnen van de lui.
Het idee dat het ineens zomaar voorbij kan zijn is gruwelijk, en toch ook wel weer comfortabel. Dat geldt natuurlijk vanuit de optiek van de dode. Voor alle anderen is het wel heel erg anders.

Zal ik nog een kleine speculatie loslaten op... Nee, deze keer niet.