alexandervaleton@gmail.com http://alexandervaleton.tumblr.com/

Pagina's

Posts tonen met het label Alexander valeton. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Alexander valeton. Alle posts tonen

zondag 18 mei 2014

Ik ben een hete aardappel



Onvrijwillige vakantie in Addis (deed II en eind)

Het is nu zaterdag. Ik zit op mijn kantoor in Nairobi en ik heb net het verhaal over mijn onvrijwillige vakantie in Addis ge-upload.

Dat verhaal schreef ik afgelopen zondag al en de afloop was toen nog onduidelijk. Ik vond het niet zo’n goed idee om die blog te uploaden terwijl ik nog in Ethiopië was.

Het werd me duidelijk dat Ethiopië een vrij uitgebreid netwerk van ‘agenten’, ‘stillen’ en ‘verklikkers’ heeft en dat die het leuk vinden van alles in computers te zetten en dat ze het niet zo belangrijk vinden de boel zo af en toe op te schonen.
Geen idee of ze ook Nederlandstalige blogjes gaan vertalen. Zou best kunnen. Ik hoop in dat geval dat ze ervan genieten en dat ze een klein beetje het gevoel voor luchtigheid kunnen waarderen.
Maar over het algemeen zijn veiligheidsdiensten niet erg goed in sarcasme, cynisme of korreltjes zout.

het Bole Vliegveld in Addis; dan weer druk, dan weer leeg
Op maandagochtend, afgelopen maandag dus, ging ik weer naar de NL ambassade, om 9 uur stond ik op de stoep en werd vriendelijk geholpen door een de dame van de consulaire afdeling. Aan de ene kant wilden zij een officieel ‘ding’ doen naar aanleiding van het feit dat mijn paspoort was ingenomen, maar mij leek het praktischer dat te gaan doen tegen de tijd dat ik mijn paspoort terug had. Uiteraard is het hun taak de dingen officieel te doen en zijn zij niet van het onderhands regelen in de baas z’n tijd. Niemand, dus ook geen vreemde overheden, mogen een paspoort innemen, het is gen eigendom van de houder, het is van de staat der Nederlanden en ik mag er alleen voor zorgen.

Op de ambassade hadden een paar weken geleden de chauffeur (die Armaic spreekt) met de ‘note verbale’ naar het ministerie gestuurd, daardoor werd de alexander-moet-van-een -lijst-af-actie iets officiëler. Dat hele verhaal staat uitgebreid in de vorige blog.

Toen ik op donderdagavond het land uit wilde liep de zaak vast. Door die officiële brief kon mijn zaak op het vliegveld niet ‘effe’ geregeld worden en moest de directeur van de immigratiedienst er iets van vinden. Het was middernacht en die lag te slapen, en dus moest ik wachten. Logisch.
Maandagochtend bij de ambassade leverde vooral op dat zij nog wisten van mijn zaak, en dat ik wist dat ze ermee bezig zijn (waren). Daarbij weet ik nu de gezichten van de dames die die ermee bezig zijn. Ik heb weinig invloed op de manier van doen en heb geen zicht op de stappen. Het enige dat ik weet is dat ik uiteindelijk van die lijst af wil omdat ik heel veel vaker naar Ethiopië wil, omdat daar mooie kansen liggen voor ons bedrijf. Op de ambassade wisten ze wel dat mijn paspoort nog steeds op het vliegveld lag en de grote oversteek naar het kantoor van de immigratiedienst nog niet gemaakt had. 
Maandag dus: Ik moest toch naar het vliegveld (6-de keer in 3 dagen) om te kijken of mijn tas er al was en wandelde (zonder tas) bij de immigratie langs. De mijnheer daar kende mijn zaak en vroeg aan zijn baas of ie mijn paspoort mocht teruggeven.
wachten wordt verlicht door top-macchiato, altijd en overal...
Ik wachtte een uurtje of 3 en babbelde met Russische helikopterpiloten (doordat ze een soort hansopje dragen van een zachte stof zagen ze er uit als gigantische paaskonijnen zonder muts en met een wodkakegel). Zij hadden een paar maanden met hun ‘heli’s’ in de woestijn gespeeld en hadden nu problemen om dat ding weer het land uit te krijgen. En bij de immigratiedienst waren ze benieuwd of er geen staatsgevaarlijk info op hun laptopjes en tablets stonden.  Ze zaten nu al twee dagen te wachten totdat de immigratiedienst alle familiefoto’s van alle apparaten bekeken had.  Dan kan ik me voorstellen dat je dan een klein slokje van het wonderwater uit je heuplflacon neemt.
Na verloop van tijd vertelde ik de ‘immigratiepief’ dat ik niet zo goed wist waar ik op zat te wachten. Ik wilde of mijn paspoort terug, of ik wilde dat het naar het immigratiekantoor ging. Mijn trouwe chauffeur Salomon stond buiten te smelten in zijn auto en ik kon best een paspoort, desnoods met een immigratiedienstmedewerker, meenemen naar het Black Lion gebouw.
De directeur van de immigratiedienst bleek nu niet bereikbaar, er waren telefoonproblemen of hij was even weg. Zachtjes vertelde de man dat ik woensdagmiddag moest terugkomen.
Er zonk iets in mijn schoenen, geen idee wat, maar het was een onprettig gevoel.
En meteen wees hij op de rug van een man in een pak die wegliep en zei: ‘Hij heeft je paspoort en hij gaat nu naar de immigratiedienst.’

Als een uitgeperste James Bond sprong ik op, wandelde schaduwend achter hem aan en bekeek naar welke auto hij liep, ondertussen belde ik Salomon, alsof Zorro zijn paard floot instructies voor te komen rijden en terwijl hij in zijn oude Corolla met gescheurd dashboard aan kwam draven, sprong ik er in en zei: “follow that car”.
De hitte van een paar uur eerder was aan het omslaan en vlak buiten het vliegveld begon ‘t te regenen en al snel bleek de Corolla nauwelijks opgewassen tegen de klotsende golven over het wegdek, de ruitenwissers boden nauwelijks verzet tegen de dikke droppels en Salomon vertelde: ‘this is serious rain, by the way.’ 

Ik had al zo’n indruk.
Na een half uurtje zette hij mij af bij het hoofdkantoor van de immigratie in het Black Lion gebouw, ik rende de trappen op en in de hal kwam ik de man tegen die mijn paspoort in zijn hand hield en het bij kamer 89 afleverde.

Inmiddels kan ik er luchtig over doen, maar op dat moment waren er nog maar 4 dingen echt duidelijk:

-       - ik had mijn paspoort niet, wel even voorbij zien flitsen, maar had het nog niet gevoeld. (en er zat inmiddels een stevig pakket papier in…)
-       - het was in handen van een niet erg aardige, en zeker geen transparante dienst die het niet erg vind als mensen op hem wachten.
-       - mij was verteld dat ik iets had gedaan dat niet mocht (niemand weet wat) en dat ik mij moest voorbereiden op mijn rechtszaak en dat die nog wel eens 2 maanden op zich kon laten wachten.
-       - de enige die mij kon helpen was de directeur van de immigratiedienst en die leek zich te verstoppen, veel belangrijker dingen te doen of misschien wel helemaal niet te bestaan.

Op zich waren dat allemaal ingrediënten die niet zorgen voor gerustheid en de enige die ik mij kon bedenken die die ongerustheid konden wegnemen waren mijn vrienden van de Ambassade, maar die zaten ook een beetje met deze zaak in hun maag; een short cut zou misschien weinig diplomatiek zijn en de ‘long haul’ leverde geen oplossing op korte termijn.

Na de Ambassade, de immigratie op het vliegveld, de immigratie in het Black Lion gebouw, opnieuw de ambassade en de Ethiopische ambassade in Brussel en in Nairobi wist ik wel dat er iets fout is, maar niet wat, weet niet waarom ik op een lijst sta en hoe ik er af kan komen.
deze mevrouw zat tegenover mij te wachten... dat kon ze erg goed
Ik weet alleen dat eigenlijk niemand iets weet en dat niemand weet wie mij helpen kan. Niemand heeft er zin in en niemand kan er iets mee… de hete aardappel wordt doorgeschoven. Ik ben een aardappel.

Na nog eens een middagje op het kantoor van de Black Lions werd ik rond half 4 echt kribbig. Er was niemand om tegen te klagen en het liep weer tegen sluitingstijd. Dus wandelde ik op goed geluk een kantoor binnen en zag per ongeluk mijn paspoort op dat buro liggen. Dus zei ik:
-Ha, ik kom dat paspoort halen.
-Wait ouside…
- Nou, ik ben al een tijdje outside aan het waiten en ik heb daar zo langzamerhand wel genoeg van. Kunt u mijn dan ten minste vertellen waarop ik dan wacht.
- Op de baas
- Ja, maar ik wacht al 4 dagen op de baas en ik heb niet het gevoel dat er veel beweging in zit. Ik wil heel graag met hem praten.
- Kom op woensdag terug
- Nou, ik vertel net dat ik al genoeg gewacht heb, en nu zegt u dat ik nog 2 dagen moet wachten… dat vind ik niet zo’n goed voorstel
- Talk to the boss
- Yes please,… Give me the boss
- The boss is not here
- Then why am I waiting?
- He will be here soon
- When is soon?
- He will be here at 4…
- Great!  now it is 5 to 4, can you book a meeting for me with the boss at 4?
en toen zei hij: “Ja”. De sukkel, mijn engel.

mijn nieuwe vriend, de immigratiedienst man
De andere mensen op zijn kantoor begonnen te lachen. Ik weet niet of ze mij uitlachten, om de situatie lachten of dat ze langzaam door hadden dat het een kafkaiaans rollenspel was dat ze overbekend voorkwam, maar waar ze niets aan konden doen.
Ik stak mijn hand uit en zei:
- Deal…geweldig, ik heb een afspraak met de baas om 4 uur, en eindelijk heb ik iemand gevonden waarmee ik echte duidelijke afspraken kan maken; geef me een hand…
Hij schudde mijn hand met een week glimlachje. Boeren met kiespijn bestaan ook in Ethiopië.
Ik ging weer buiten zijn kantoor op het spartaanse wachtbankje zitten en om kwart over 4 wandelde ik zijn kantoor weer binnen en zei:
- Ha, ik heb een afspraak met de baas, is ie er?
Mijn nieuwe vriend keek op van zijn patience spel en zei:
- no, he has not yet arrived…
- nou, dat is toch vreemd… hij heeft een afspraak met me en dan komt ie niet… heel merkwaardig.
- just wait outside
- nee, ik wacht niet meer outside.
- je moet de regels van dit land respecteren, u bent een gast.
En toen werd ik echt heel erg giftig… heel langzaam probeerde ik hem uit te leggen dat ik heel graag de regels van een land wil respecteren en dat ik mij graag wil gedragen, maar dat zij dan moeten uitleggen wat die regels zijn, en wat ik zoal fout heb gedaan. En ik legde hem uit dat het niet echt heel erg correct is om iemand niet de mogelijkheid te geven om naar huis te reizen als ie dat graag wil. Dat ik het niet zo’n goed idee vind als je mensen op bezoek krijgt, ze en paar dagen in een hotelkamer te laten zitten, dat ik het niet zo aardig vind om de bagage kwijt te maken, dat ik het onvriendelijk vind om geen duidelijke informatie te geven en dat ik, als ik bij mensen op bezoek ben, meestal wel iets te drinken aangeboden krijg.
- De baas komt er aan… zei hij.
De anderen in zijn kantoor lachten weer.

En twintig minuten later, ik zat netjes buiten zijn kantoor te wachten, riep hij mijn naam om door een soort interkommetje (ik zat werkelijk in mijn eentje aan de andere kant van de open deur).
Hij riep me binnen en ik was bereid te horen dat de baas nog 3 weken met vakantie was en dat ik moest wachten totdat hij van zijn Hadj of zijn tocht naar Israel, Rome of weet ik veel waar vandaan terug zou zijn. Maar mijn nieuwe vriend zei:
- schrijf op: Ik, Alexander Valeton ontvang mijn paspoort terug van ambtenaar 101 op het kantoor van de immigratie in Ethiopië, mijn paspoort is niet stuk en ik ben goed behandeld… en dan de datum en je handtekening.
Uiteraard deed ik dit met het gemak van de eerste de beste leugenaar, en vroeg of ik een fotootje mocht maken van dit waardevolle document. Dat mocht niet, of ik een foto mocht maken van mijn nieuwe vriend en mijn oude paspoort samen… dat mocht ook niet.

Tien minuten later stond ik buiten, chauffeur Salomon maakte een dansje en zei: ‘zie je wel dat Ethiopiërs aardig zijn’,  en we renden naar het ticketbureau van Ethiopian Airways om de eerste vlucht naar Nairobi te boeken.
3 uur later checkte ik in op het vliegveld;
Heel, heel kort werd daar moeilijk gedaan over het feit dat mijn visum reeds 4 dagen eerder voor de huidige exit was gestempeld (ik was immers al door de douane en werd toen terug geroepen, 4 dagen geleden). Ik vroeg om de baas en de baas keek om de hoek en zei: ‘ik ken deze zaak, laat maar gaan…’
En nog snel vroeg ik aan deze baas: “Wat was nou 't probleem en is dat nou opgelost”?
En hij zei: “de verwarring is ontstaan doordat er iemand anders is uit Nederland met precies dezelfde naam als jij, maar met een andere foto… dus is dat iemand anders. Maar die man die staat op onze ‘wanted’ lijst…”

Ik weet 100% zeker dat er geen andere Nederlander is met mijn naam en zeker niet van mijn leeftijd.

Ik ben een hete aardappel…en mensen verzinnen smoesjes.


----------------------

 stills uit het Black Lion gebouw:












 ---------------------

ik reed veel rond... wat auto-foto's:
















dinsdag 14 januari 2014

Ethiopië, mon amour

-->
spannende vue van Addis Abeba, vanuit de vertrekhal
In mijn nieuwe baan doen we zaken met voor mij weer heel nieuwe partijen. Een van hen is de African Union, een heel erg officieel overlegorgaan van alle Afrikaanse landen. Vergelijkbaar met de EU. Zij hebben hun hoofdkantoor in een prachtig nieuw gebouw in Addis Abeba in Ethiopië.
Mij werd gevraagd of ik, ter voorbereiding van een project bij hen langs wilde gaan.
Tuurlijk, nieuwe landen, immer dol op. En ook nog lekker inhoudelijk de lijnen uitzetten voor een nieuw ambitieus project.
De planning kwam wat ingewikkeld uit maar ijzer kan met handen gebogen worden. Dus ging ik vandaag voor een heen en weertje van Nairobi naar Addis.
Met Daan en Wouter doe ik een laf wedstrijdje wie in de meeste landen geweest is. Gisteren mailde ik hen het korte bericht: ‘morgen +1’

Een jaar of 8 geleden maakte ik in opdracht van de AVRO en van het Nederlands architectuur instituut (NAi) een  pilot voor een programma over Nederlandse Architectuur in het buitenland. De toenmalige directeur van het NAi, Aaron Betksy, zou het presenteren. Op dat moment werd de nieuwe Nederlandse Ambassade in Addis opgeleverd, een nogal spectaculair en bij voorbaat controversieel gebouw. En ik dacht dat het onwaarschijnlijk zou zijn om makkelijk nog eens in Ethiopië te komen, wat zou een mensch daar moeten, dus besloot ik als producent dat we die pilot daar moesten opnemen. Dan ko je nog eens ergens.
Ethiopië staat niet bekend als een buitengewoon open land voor journalisten, maar omdat de aanvraag voor de visa via het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gedaan werd kon ik mij niet voorstellen dat er veel gedoe zou zijn.
Totdat 2 verschillende kampen in Addis besloten stenen naar elkaar te gooien en wat bomen uit de grond te trekken. Over de hele wereld waren beelden te zien van brandende auto’s en boze gezichten.  Dat vond Ethiopië niet zo leuk.
Toevallig tegelijkertijd werd een medewerker van de Ethiopische Ambassade in Den Haag op straat aangehouden. Hij fietste en de politie vroeg wat er in de plastic zak aan zijn stuur zat. Hij zei “bom” en werd hard op straat geworpen en non-diplomatiek te verstaan gegeven mee te komen. Daarop riep hij dat hij een hoge pief was op de ambassade en toen was er een diplomatieke rel geboren.
mooie etalage op het vliegveld: onbereikbare koffie
Buitenlandse Zaken vroeg visa voor ons aan, maar die kregen we niet. De officiele reden die wij kregen was dat door ‘het gedoe’ in de stad het Ethiopische ministerie van Binnenlandse Zaken onze veiligheid niet kon garanderen. De aanvraag voor die visa duurde ons toch al veel te lang en een paar weken eerder hadden we al besloten dat Ethiopië en beetje te veel gedoe was, en we verlegden onze aandacht naar een ander buitengewoon gebouw. We draaiden een pilot bij El Mirador van MVRDV in Madrid. Het werd een puik filmpje en een leuke trip met Betsky. Hij werd kjort daarna directeur van het Museum in Cincinnati en de AVRO ging verder bezuinigen op cultuur en de serie kwam er dus nooit.

Vanmorgen stond ik om 5.30 uur op, voor de files uit reed ik naar het vliegveld. Was daar gapend vroeg en hing wat rond om de vlucht van 9.30 te nemen.
Om 11.30 kwam ik aan in Addis en om 12.30 was ik door de douane, om 13.30 zou ik die belangrijke vergadering hebben, om dan om 16.00 uur weer op het vliegveld te zijn en 20.00 uur weer thuis.
Tot en met de douane ging het goed. De douanier was een jongen in een flodderig shirt... ik maakte een praatje met hem over welke taxi ik moest nemen en hoeveel dat mocht kosten. Ik dankte hem en liep verder. Lichte spanning omdat ik een nieuw land ging betreden. Diezelfde jongen kwam achter mij aan en vroeg of ik ooit eerder in Ethiopie was. ‘Nee..’ ‘Loop effe mee’, zei hij… hij haalde er een stralende en vrolijke mevrouw met een hoofddoek bij en samen keken ze van mijn paspoort naar een beeldscherm, naar mijn paspoort. En liepen toen een hokje in. ‘No problem… never been here before?’ “Nee hoor nog nooit’. Of ik effe wilde wachten…

Uit het hokje kwam mijnheer 3 en ineens bedacht ik mij het bovenstaande verhaal. Ik was het helemaal vergeten. Maar eigenlijk wist ik ook niet precies wat er gebeurd was… Was ons een visum geweigerd? Hadden wij geen gebruik gemaakt van het visum wat wij ooit kregen? Is die aanvraag vriendelijk of onvriendelijk afgewezen?
De ene mijneer en de gehoofddoekte zag ik in een kamer linksboven met de rij orders beginnen. Ze habben van de baas de opdracht gekregen om uit te zoeken waarom ik op de zwarte lijst sta. De kast is vrij groot en ze begonnen klaarblijkelijk willekeurig te bladeren. Ik zag foto’s van allemaal duistere mannen in slechte fotokopieen en de mijnheer en mevrouw blijven door een raam zeggen “No problem… Never been here before?’ Ik zeg dat ik een afspraak heb bij de African Union en ik zie dat ze wat harder gaan bladeren.
Speld in hooiberg.
Op een gegeven moment boomt er een man het kantoor binnen, linnen pak, roze overhemd, gecoiffeerde snor. Hij kijkt naar mijn paspoort, ziet mij buiten het raam staan, hem wordt verteld dat ik graag even met hem wil spreken. Hij kijkt mij nog eens aan en schudt zijn hoofd en loopt de deur uit. Voor mij uit ‘t zicht.
Door het piepkleine raampje vraag is of dat de boss is… ‘jazeker’.
‘Kan ik nog even met hem babbelen?’ (onder het motto: Never accept a ‘no’ from someone how can not give you a ‘yes’) ‘Maybe later, after lunch..”
After lunch dan gaat mijn vliegtuig alweer bijna terug…
Ondertussen waggelt hij in zijn linnen pak achter mij langs, op weg naar z’n lunch. De actie mislukt al voordat hij begonnen is.
Het enige wat ik mij kan voorstellen is dat we toentertijd op een zwarte lijst terecht gekomen zijn. Voor mij was het een niemendallerig onbelangrijk dingetje. Voor de Ethiopiërs toentertijd blijkbaar niet… en als je eenmaal op zo’n lijst staat, zie er dan maar weer eens af te komen.  

Op een klungelige manier wordt het visum uit mijn paspoort gehaald, met moeite mag ik mijn
bruizend internetcafé op het vliegveld
afspraak bellen om te vertellen dat ik er niet ga zijn. Het voelt als dat een gesprek waar je recht op heb na je arrestatie.

Ik wandelde een verlaten vertrekhal in. Lege winkels, jaren 80 advertenties, een uitgestrekte steppe van gemiste kansen. Ik heb heel erg zin om die ebne verlaten schoonmaker een klap in zijn gezicht te geven.
Even skypte ik met het kantoor in Amsterdam. Ik kan er niets aan doen, maar toch geen goede beurt. Ik mail me suf met het kantoor in Nairobi… ik hoor door hun mails die jongens daar zachtjes lachen. Altijd hebben zij problemen de Schengen landen binnen te komen, nu is er eindelijk een Europeaan die een Afrikaans land niet in komt. Een vleugje lekker-puh en ik kan ze geen ongelijk geven. Ik voel me altijd onplezierig als ik hoor hoe lastig het is voor hen naar Europa te gaan.

de prachtige executive lounge op het vliegveld
Een mevrouw van de executive lounge vond me sneu en liet me binnen. Hier zit ik nu al 4 uur te werken en kopjes te drinken tussen mooie lege rode stoelen.

Dus voor de prijs van een ticket en een taxi heb ik vandaag en dagje kantoor gehouden op een heel origineel plekje: de executive lounge van het vliegveld van Addis Abeba. 

Ik heb Daan en Wouter net een foto van een lege vertrekhal gemaild met wederom een korte tekst: ‘mission failed.’

















vrijdag 2 juli 2010

Lempad in ARMA, bali

Vandaag wil ik naar een museum omdat ik zin heb om iets heel moois te zien. (Tegenwoordig hoef je daarvoor niet naar een museum. Je kan ook op het wereldwijde web iets heel moois gaan zoeken. Maar de sensatie van een museum, de schatkamer is onovertroffen. Doordat je langs de werken loopt kan je minder snel wegklikken. De fysieke aanwezigheid is sterker en heeft een grotere uitstraling dan als ie virtueel wordt opgeroepen. Daarbij kom je op weg naar het moois altijd eerst heel veel lelijks tegen.)
Ooit werkte ik in een museum op Bali. Het ARMA heeft twee gebouwen, een voor Balinese kunstenaars en een voor kunstenaars van over de hele wereld die op Bali gewerkt hebben. Twee grote gebouwen in een steeds mooier wordende tuin. (In Nederland geldt het adagium; ‘boompje groot, plantertje dood’, omdat tuinontwerpers hun creatie nooit af zagen. In Bali geldt dat niet. In tien jaar tijd is de tuin van het Arma van een aangelegd parkje met gras, struiken en wat bomen een getemd oerwoud geworden.) Het museum in het algemeen is een westerse uitvinding, kunst niet. Wij hebben bedacht dat wij al die fraaie dingen kunnen opslaan en uitstallen, dat we daar kaartjes voor kunnen verkopen en daarmee de aanschaf en de uitstalling kunnen bekostigen. In veel andere culturen is het anders. Kunst is daar meestal toegepaste kunst; een plaatjes bij een verhaal, een mooi versierde decoratie aan een huis of tempel, ter ere van de goden of anderen die gepaaid moeten worden. Een schilderij, tekening of dans alleen maar om de schoonheid er van bestaat eigenlijk niet. De drijfveren van de kunstenaar is niet “omdat het er uit moet’ zoals het hier wel gebeurt, maar meestal omdat het handig is en goed is voor een verering of iets dergelijks.
Het idee om geld te kunnen vragen voor kunst stond de eigenaar van de collectie wel aan; hij bouwde een gebouw hing de kunst er in vroeg een meisje bij de kassa te gaan zitten en wachtte. Er kwamen niet zo veel mensen en om het succes te vergroten vroeg hij mij om het museum te runnen. Hij was de belichaming van ene spagaat. Zijn instelling was een Aziatische. (Kunst is toegepaste kunst en dus vervangbaar). Maar zijn handelwijze was westers. (Kunst kan je ophangen en er geld voor vragen). Bij de laatste theorie hoort ook het idee dat kunst uniek is.
In een van de zalen hingen tekeningen van mijnheer Lempad. Lempad was oud, 101 jaar of zo, en hij maakte illustraties bij de grote epische Hindu verhalen. Hij maakte deze op flinterdun rijstpapier met aangelengde inkt. De tekeningen van Lempad waren fragiel en prijzig. De tekeningen hingen in het museum ingelijst, maar zonder glas er voor. In de zaal was wel airconditioning, maar die was niet sterk genoeg om de warmte buiten te houden, daarom werden de ramen ook open gezet. De tekeningen hingen in een zaal waar het warm was en waar de wind doorheen waaide. De luchtvochtigheid in Indonesie is hoog en dat is niet goed voor rijstpapier. De rij prenten klapperde in de tocht en na vier uur ’s middags scheen de zon door het raam en werden de omstandigheden voor de werkjes alleen maar slechter.
Ik vertelde de eigenaar dat dit niet goed was, dat de tekeningen weldra verbleekt zouden zijn en dat het papier zou verkruimelen of verrotten.
Hij pakte de telefoon en belde Lempad. Twee minuten later zei hij: “Het is niet erg, Lempad zegt dat zijn zoon het nu ook kan en als de tekeningen op zijn krijgen we nieuwe.”
Ik vond het een verhelderende manier om met cultureel erfgoed om te gaan. Het maakt het in elk geval een stuk eenvoudiger voor de archivarissen.
Het is erg warm vandaag en ik ga naar een museum toe.

zondag 13 juni 2010

Oezbekistan, 24 mei 2010

Hoewel het hotel heel prettig was, stelde het ontbijt niets voor. De groep Fransen had al gegeten en kwam al niet vrolijk uit de zaal en wij gingen er toch zitten, als een tuttig gezinnetje aan een tafel met bakjes fabrieksjam, klef brood en Nescafe. Hmm, niet mijn idee van een goed ontbijt op een exotische plek met mijn beste vrienden. Ik probeer al jaren het family life te voorkomen en dan krijg je het op zo’n manier opgediend.

We wandelden zo snel mogelijk weer naar het historische centrum en bezochten opnieuw de Registan, nee we willen niet een minaret op, we overlaadden ons met nog meer plaatjes van de gebouwen. In tegenstelling tot gisteren waren er iets meer toeristen, maar nog steeds kon je een kanon afvuren zonder dat er een ambulance hoefde uit te rukken. We dronken geen koffie maar aten een ijsje omdat bij het ijspaleis mooie meisjes zaten en er geen koffie verkocht werd. We liepen het ene gebouw in, het andere uit, kochten suffige souvenirs waar onder ook een paar historische foto’s van de Registan.
Het idee wat ik schreef over een tegeltje dat in de bakkende zon wat flets geworden is, was blijkbaar toch iets vrijer geïnterpreteerd dan ik gisteren nog dacht. De historische foto’s laten een bruisend markplein zin, markt met tenten en paarden, een scheve en verzakkende minaret die gestut is met palen en banden en verrassend weinig tegels tegen de gevels aan. De gebouwen zoals wij die nu zien zijn dus geen gevolg van een restauratie project, maar hebben meer te maken met sovjet herbouw, waarbij de amateur architectuurhistoricus zich natuurlijk meteen afvraagt waarop deze herbouw dan gebaseerd is. Ach, wat dondert het ook; zij verkopen een verhaal and we buy it...
We deden wat toeristen horen te doen op zo’n plek. Kijken, foto’s maken en geschiedenis lezen. Marco Polo wandelde hier rond, Alexander de Grote vond het hier mooi en Dzjengis Khan, niet de grootste liefhebber van mooiigheden op de wereld, was zo onder de indruk dat hij deze gebouwen, in tegenstelling tot de andere moskeeën, mausoleums en medressa’s die hij op zijn werkreizen tegen kwam, niet vernietigde.
Het blijft een bijzondere gedachte dat hier allemaal kleine jongens rondliepen die studeerden. Vanaf 1450 deden ze wiskunde, sterrenkunde en filosofie, wandelden naar de naburige moskee en sliepen op de vloer. Sinds de dagen van de USSR gebeurt dat niet meer, maar het kost weinig moeite ze rond te zien schuifelen.


Na een paar uur rondhangen, lunchten we op dezelfde minst vervelende plek als waar we gisteren dineerden. Vandaag voornamelijk omdat er naast deze plek een internetcafé zat. Ondanks het rijke bezit van iPhones en de alom aanwezige wifi-verbindingen, moest Wouter iets werkachtigs doen waarvoor hij een echte computer nodig had. Terwijl hij een booreiland kocht of zo haalde hij ook de plaatjes binnen voor de quiz.
In Mongolië zijn we begonnen met het houden van quizzen. Roelandt, Daan en ik waren daar de kandidaten in een weetjes quiz en Wouter was de quizmaster met een bijzonder klein Fred Oster gehalte. Bij mijnheer Oster heb je het gevoel dat hij alle antwoorden weet. Wouter weet vakkundig te verbergen dat hij enige kennis over de onderwerpen heeft waar hij vragen over stelt. Desalniettemin verzamelt hij echt goede vragen van over de hele wereld, inclusief geluidsfragmenten en illustraties voor de plaatjesrondes. Bijzonderder nog is de vaste ronde vragen over de plek waar we zijn en de actualiteit die we op de reis hebben meegemaakt. Dat verraadt toch een inhoudelijke kennis, vooral omdat de vragen over het algemeen niet lullig zijn. Roelandt was er op deze trip niet bij, dus werd het een wedstrijd van Daan tegen mij. In Mongolië had Daan lofrijk gewonnen. Mongolië ligt bezaaid met botten en resten van dode beesten. De prijs, de wisseltrofee, bestaat uit een ruggenwervel van een paard. Het bovenaanzicht van de ruggenwervel is prachtig. Door de gaten en de welvingen die er in zitten lijkt het op het gezicht van een lachende clown. De wisseltrofee heeft twee jaar lang aan het voeteinde van de echtelijke sponde op de Plantage Muidergracht gestaan, en Daan had Het Gouden Lachebekje nu meegenomen naar The Stans. De quiz om het lachebekje werd gestreden op verschillende zweterige avonden waarin drie rondes gespeeld moesten worden. Daan won de eerste. Iedereen met een heel klein beetje cijfermatig inzicht weet dan dat ik de tweede ronde won. Er kwam dus een derde ronde aan te pas en Wouter moest aan het werk om vragen te verzamelen en te verzinnen. Het is goed en bijzonder dat iedereen zijn taak op zo’n reis serieus neemt. Het mag dan allemaal wel een spel zijn, maar wel een vrij serieus spel.

Na dat inladen van data en eten liepen we verder. Achter de bazaar is een moskee. Natuurlijk moesten we eerst de bazaar over en dan lijkt het ineens of de mensen die hier wonen en werken zich niet interesseren voor al die prachtige gebouwen die er in hun stad staan. Ze zijn gewoon bezig schapenkoppen en uien te verkopen, bergen groene gemalen tabak die je handig onder je tong kan stoppen en allerlei andere ondefinieerbare dingen. Van de ene verheven historische setting ben je in een kleine minuut weer in de dagelijkse economie. De moskeeën waren prachtig. Gevels, binnenplaatsen, koepels, zwaluwen... ga er maar heen om het zelf te zien.

Achter de Registan, twee kilometer verderop, is een begraafplaats. Praktisch zal ik het een ‘levende begraafplaats’ noemen, omdat ie nog gebruik wordt. Nog steeds worden er Samarkanters bijgezet, voorzien van grafstenen met afbeeldingen van de doden die in het keiharde marmer getatoeëerd lijken. De gezichten van de recente doden zijn schrikbarend echt. Het lijkt een soort 3D afbeelding en ze zijn nagemaakt van foto’s van de dooien. In sommige gevallen kan je zien dat het best een leuke foto was. Vaker zijn het een soort geposeerde paspoortfoto’s, knalhard geschoten in een gebrekkig fotostudiootje. Je kunt je voorstellen hoe de nabestaanden op zoek zijn geweest naar een foto van opa om die op zijn steen te laten graveren, niets leuks konden vinden en dan maar die foto uit zijn reispas namen. De graveur was zo aardig om de gaatjes van de nietjes niet mee te nemen in het finale beeld maar verder is het niets verhullend. We kwamen niet naar deze dodenakker om de recente doden te zien, maar om de oude graftombes te aanschouwen. Het centrum van de begraafplaats is het Guri Amir Mausoleum. Dat ligt in een straatje dat opwaarts loopt, een paar treden op en dan verder. Aan dit straatje liggen een 30 tal mausoleums, allemaal kleine juwelen. Het verbaast niet dat er blauwe tegels aan te pas komen. Eigenlijk zijn het kapelletjes, een soort stupa’s waarbinnen niet veel gebeurt, behalve dat er een soort langwerpig huisje in staat (daar lijkt de dooie in te zitten, gefopt, die ligt in de ontoegankelijke kelder, dit huisje is alleen ter aanbidding en om de dode niet te storen.). De buitenkanten van de mausoleums zijn simpel en strak, maar rond de entree is het een wirwar van de tegelpatronen, de Arabische schriften en veel reliëfs, hoekjes en ribbels, allemaal van tegels.
We wandelden rond, raakten elkaar kwijt en troffen elkaar weer. We hadden nog een missie op deze dag en dan was het oude-stenen-bekijken ten einde. Daan wilde naar het graf van Daniël. Ik ben niet zo bijbelvast, maar Daan vertelde dat hij naar de oudtestamentische profeet Daniël vernoemd is. Nu is Daan ook niet zo bijbelgevoelig en wist niet zo heel veel over de Goede Oude Daan te vertellen (behalve dat hij in een leeuwenkuil werd gegooid en dat uiteraard overleefde). Misschien dat we eens bij de ouders van Daan ten rade moeten gaan, want die weten natuurlijk wel naar wie zij hun zoon vernoemden. De profeet Daniël ligt hier begraven en hij kan een kunstje. Op de helling van een berg, vlak bij een lieflijk riviertje waar jongens aan het zwemmen waren onder de bomen, is de laatste rustplaats van Daniël. Voor een dode is het een merkwaardig lang gebouw. Als je binnen komt is het nog vreemder. Die oude Daan heeft een extreem lange tombe, echt heel lang. De hele lengte van het huisje is gevuld met een hoge rechthoekige vorm, daar overheen ligt een fluwelen doek die voorzien is van Arabische teksten, lekker dik geborduurd. De tombe is 18 meter lang! De Oude Daan kan een kunstje want hoewel hij dood is blijft ie door groeien, zeggen ze. Hij groeit met zo’n anderhalve centimeter per jaar en dat doet ie al vanaf de 5-de eeuw voor Christus. Ja, dan kom je al snel op een respectabele lengte van zo’n 17 meter nog wat. Daan wandelde er rond, waste zijn gezicht in de het heilzame water van de beek, strekte zich voor de foto uit naast Daan–De-Lange en we verlieten de plek weer, een tikkie lacherig.

We daalden af naar ons hotel om daar ’s avonds in de buurt een traditionele pasta bolognese te eten naast het internet cafe met de betere verbinding. Weer niet laat in bed, de rock ’n roll was ver te zoeken.

Oezbekistan, 23 mei 2010




Oezbekistan, 23 mei 2010

In het kleine kantoor van de customs op de grens tussen Tadjikistan en Oezbekistan gebeurde weinig. Je snapt er niets van, twee buurlanden met beide een groeiende economie die blijkbaar er van af zien onderling handel te drijven. Alleen een groepje van bejaarde vrouwen, waarvan een zelfs nog een CCCP paspoort in haar kromme vingers hield, stond te wachten. De drie douane mensen vonden ons een leuke afleiding en lieten ons voor gaan. Sommige gevallen van discriminatie zijn zeer welkom.
Aan de andere kant van de grens vonden wij een taxi die ons naar Samarkand reed. De chauffeur was een eikel, een van de zeer weinige die we tot nu toe tegen gekomen waren. Hij kon maar niet begrijpen dat wij hem begrepen en het weldegelijk eens waren met zijn plan: hij bleef zijn vraag (locatie) en de waarde (dollars) telkenmale herhalen en wij antwoordden: Ja, Yes, Da en Oui... Maar toen dat nog niet duidelijk was voor hem, schreef hij het in zijn telefoon en schreven wij de 4 bevestigingen opnieuw op en zo bleef het de volle 60 kilometer doorgaan. Ik zou niet weten wat hem dwars zat, misschien kende hij het hotel niet waar wij heen wilden, was hij te verbaasd dat wij nauwelijks onderhandelden over de prijs, misschien zat hem iets heel anders dwars.

Samarkand is een eeuwenoude stad die gebouwd is aan de voet van de uitlopers van de Himalaya’s waar die over gaan in de woestijn die tot aan de Kaspische Zee doorloopt.
Uit de bergen komen kleine riviertjes met smeltwater en dat water verdwijnt snel in de hete zon en het droge zand. De enige strook land die geschikt is voor landbouw (en dus bewoning) is de voet van de bergen. Dat is nu zo en dat was 2000 jaar geleden ook al zo. De grote oost-west verbindingen tussen de Europese wereld en de Oostaziatische wereld was een hand vol wegen en sporen waarlangs de karavanen en dus de handel heen en weer trokken. Deze karavanen hadden rustige en veilige plekken nodig om de nachten door te brengen, om water en eten in te slaan en om te gokken, te vrijen en nieuwtjes te horen en allerlei andere dingen te doen. De steden langs deze handelsroutes groeiden, er kwam een infrastructuur en daardoor gingen er mensen wonen. Doordat die mensen er waren kwamen er scholen, moskeeen, badhuizen en ontstonden er markten. Tussen Oost Azie en Europa zijn er verschillende zijderoutes en zijn er verschillende zijderoute steden. Sommigen zijn inmiddels leeg en vervallen, anderen doen nu eigenlijk nog steeds hetzelfde als toen; wateringholes along the way. Het zijn veilige pleisterplaatsen in een onherbergzaam terrein. Samarkand is een van de beroemdste op deze route. Het was altijd al een fikse stad maar toen de toenmalige heersers landjepik begonnen met het bouwen van fraaie gebouwen werd het (zeg, vanaf ca 1200) één van de belangrijkste moslim studiecentra in de wereld. Jonge knullen mochten onder leiding van de oude wijzen in de Koran lezen en deden dat in de Medressa’s. Het ziet er niet naar uit dat geld een probleem was om die dingen te bouwen. De medressa’s van Samarkand zijn wereldberoemd om hun schoonheid, hun ligging en omdat ze de tand des tijds hebben doorstaan. Naast de Medressa’s zijn er moskeeën en mausoleums. Samarkand doet in M’s.

We checkten in, in een vriendelijk hotel dat we al geboekt hadden toen we de visa regelden. Twee fraaie binnenplaatsen, kersenbomen vol met dikke rode kersen, een ruime kamer, stilte en eindelijk een goede laundry service. We wisten dat we hier 2 nachten zouden blijven en hadden onze stinkende was opgespaard.
Rond een uur of 3 waren we gedoucht en klaar en stonden voor het enorme vraagstuk: Zullen we vandaag al naar de grote monumenten gaan of zullen we dat morgen doen... en dus gingen we.
Vanuit de wijk van ons hotel wandelden we met camera’s en aerobie naar het centrum. Aan de voet van het beeld van de grote heerser Amir Timur zagen we een eerste mausoleum, een blauw ui-vormig dak boven een complex van gebouwtjes en muren. Kaartje kopen, voor die grote groep toeristen uithaasten, snel naar binnen en daar pas in het boekje gelezen dat dit een mausoleum is dat bescheiden en humble is... ja ja... hmm. Als deze middeleeuwse tegelshowroom, met baldakijnen en marmeren lambriseringen, met hoekafwerkingen in vele lagen, met detailleringen van een belachelijke nauwgezetheid (majolica tegels in beschilderde gipssettingen, met daaroverheen goud opgelegde graffiti van kalligrafische koranteksten uit 1320...), als dit humble en bescheiden is... wat moet de rest van deze stad en die talloze gebouwen uit diezelfde periode dan te bieden hebben?
Buiten zagen we wat er bedoeld werd met bescheiden; er waren inderdaad kleine stukjes muur waar niet zo heel veel blauwe tegels op zaten... ja, logisch.

We wandelden verder en in de verte zagen we het profiel van de Registan opdoemen. Het is wel vreemd, dat je dan sloffend, met een beetje spanning naar Het Doel van de reis toe wandelt. Die gebouwen liggen daar dan een beetje te bakken in de zon. Een klein groepje toeristen zat op een bankje in de schaduw te kijken naar de gevels en wij slenterden langs, open ogen, alle zintuigen op scherp.
Die Registan bestaat uit drie gebouwen die in een carré staan rond een vierkant plein. Eigenlijk ontbreekt het vierde gebouw. Via die open ruimte komt de onwetende wandelaar aan, loopt langs de zijkant van een van de gebouwen en ziet dan ineens de gebouwen opdoemen. Enorme, laat ik schatten, 20 meter hoge gevels met daarin voornamelijk een poort, daarin twee kleinere poortbogen waarin dan weer de deuren zijn gemaakt. Als een enorm reliëf is het opgebouwd en versierd met tegels, majolica en kalligrafieën. Deze aanblik is indrukwekkend....misschien zijn hier wel zwaardere superlatieven gewenst: deze gevels zijn de fraaiste op de wereld, deze gevels zijn een orgastische explosie van alles wat de architecten en arbeiders in het jaar 1250 konden, deze gevels zijn een hoogtepunt van de cultuur van centraal Azië, niet alleen toen, maar nu nog steeds. In de afgelopen jaren reisde ik regelmatig in centraal en zuid Azie en nergens zag ik zo’n verfijndheid, zo’n kunstigheid en zo’n geblaseerdheid. Genoeg aanbevelingen?...

Op het plein waren bijna geen mensen en aan het eind van de middag was de zon al een beetje aan het zakken achter het westelijke gebouw. Door het tegenlicht was minder goed te zien hoe het er echt uitzag, door het meelicht was dat op het oostelijke gebouw des te zichtbaarder, in een avondgloed is het fijn tegelskijken.
Daan, de kleine wereldontdekker, maakte een praatje met een bewaker en riep ons voordat wij van de eerste indrukken bekomen waren - hij had geregeld had dat we voor een grijpstuiver illegaal een van de minaretten op konden klimmen. Man met grote pet weeksalaris gegeven, kruip door sluip door achter hem aan, extreem smalle wenteltrap op, stoot je hoofd niet, anderen moesten naar beneden, smalle lijf tegen lijf passage... he toeristen, zouden die ook zo’n deal hebben met onze illegale held? Het paste maar net, en een voor een konden we door een klein luikje piepen, niet verder dan tot je navel uit een gat hangen en wat zie je dan; de gevel tegenover het plein op ooghoogte, het plein beneden je, in de verte de bergen op rechts en de woestijn op links (maar dat laatste kan je helemaal niet zien omdat het nooit helder genoeg is.... je kunt het alleen bedenken). Eigenlijk viel de gevel-op-ooghoogte wat tegen... Ja, logisch, hij is ook gebouwd om hem vanaf het plein te kunnen zien, en niet vanuit deze minaret. Er zit een soort trompe l’oeil effect in meegebakken. Om de beurt keken we en maakten we een foto van onszelf met de Registan gevel bij sunset op de achtergrond. Daarna weer trappetje af en kruip door sluip door naar de ballustrade van de binnenplaats, want áchter de gevel aan het plein is de Medressa zelf; een binnenplaats met een heleboel hokjes waar de kleine moslimmetjes Het Grote Boek aan het lezen en bestuderen waren. Vanaf de balustrade was er een fijn zicht op het plein, we probeerden foto’s te maken maar door het heftige licht was dat eigenlijk tot mislukken gedoemd. Daan drukte een deur open en daar vonden wij een gigantische stapel blauwe, groene en meerkleurige tegels. De gebouwen zien er aan de buitenkant schitterend uit, geen schilfertje mist, alles is helemaal in orde. Wij West Europeanen hebben een extreme hang naar authenticiteit. “Oud’ geldt als een kwalificatie voor kwaliteit. Als iets oud is, is het goed of mooi of bijzonder. In Azie zijn ze daar een stuk luchtiger over. Het idee van deze gebouwen is dat ze schitterend zijn; blauwe tegels in de zon tegen een strakblauwe lucht. Zo is het ooit bedoeld en als in de afgelopen 800 jaar het blauw van de tegels een beetje flets geworden is, dan is het tijd om de tegels te vervangen opdat het ooit bedoelde resultaat opnieuw bereikt wordt. Daarom is er een kamer met reservetegels, in alle kleuren en maten. Die malle Oezbeken doen er ook niet zo ingewikkeld over. Wij zouden misschien nog de neiging hebben, áls we al aan vervanging zouden gaan doen, om dan die tegels op een authentieke en arbeidsintensieve manier te willen namaken, net als onze voorouders deden, maar zij laten ze gewoon in een fabriek maken, bestelnummer staat op de achterkant gegraveerd.
Nadat we met veel te hard tegenlicht foto’s probeerden te maken, inclusief de standaardfoto’s van Daan die The Funny Walks doet, daalden we verder af, wandelden naar de moskee en vergaapten ons aan het plafond dat de binnenkant van een koepel leek maar ook een trome l’ouil op een plat plafond was. We hingen wat rond op de binnenplaats van de moskeegebouwen onder de bomen. Keken naar schooljeugd die zich verveelden als tieners in het Rijksmuseum. Aerobieend op het plein voor de Medressa vermaakten we de bewakers. (Inmiddels waren er al een handvol naar ons toegekomen om ons de view vanaf de minaret te verkopen... wat ooit een unieke ervaring leek was de gangbare tourist trap).

Via het minst saaie restaurant wandelden we naar ons hotel en sliepen relatief vroeg.

maandag 31 mei 2010

Tadjikistan, 23 mei 2010

Zondag 23 mei

Gisteren was het laat geworden, vandaag stonden we wat later op. Op de binnenplaats van het hotel stond een jonge en een oudere man. Het bleken een Australische vader en zoon, heel aardige en warme mensen die op extreem vriendelijke wijze de wereld ontdekken. Dergelijke mensen blijven een goed voorbeeld.

Rond een uur of 12 namen wij een taxi naar de grens. Hobbelend in een oude Lada Niva arriveerden we bij een container met een slagboom, een kleine plek op een grote lege vlakte. Het geile bokje had ons een paar centen gegeven om die aan de grensbewaker toe te schuiven zodat hij onze baggage niet ging checken. Hij had erbij gezegd dat we die aan de customs man moesten geven en niet aan de stempelaar, maar als je bij zo’n grens bent weet je niet precies wie wie is. De eerste man leek ons niet zo’n probleem. Hij bekeek onze visa en vroeg of wij onze tassen wilden openmaken. Die van Daan en mij stonden buiten en die van Wouter binnen. Wouter ritste zijn tas open en daar zat o.m. een Economist in. De customs man, in the middle of nowhere bladerde die door en bij iedere foto zei hij wie er op stond. Obama op de cover, Karzai op pagina 3 en tot zijn grote vreugde Hugo Chavez op pagina 5, in zijn camouflagepak met puntschoenen zat hij heel tevreden te zijn over Wouters leesmateriaal. De tassen hoefden verder niet gecontroleerd te worden.
We wandelden van de Tadikische grens naar de Oezbeekse grens, moesten daar wachten tot de lunchpauze over was, en zaten in heerlijk weer tussen een 20-tal mevrouwen in enorme jurken. Wij kregen uiteindelijk voorrang bij de customs en werden makkelijk doorgestempeld. We liepen naar een taxi en reden hobbelend de laatste 60 kilometer naar Samarkand.

Een van de Grote Doelen van deze reis.

cont.....




Tadjikistan, 22 mei 2010

Zaterdag 22 mei


Regen regen... zachtjes polsten wij bij het bokje hoe het zou zijn om een hike in de regen te maken en hij zei gedecideerd dat dat niet kon. Je kon met de auto niet bij het beginpunt komen en als dat toch kon was het ongewis of je een paar uur later weer naar beneden kon rijden. Dus veranderde het in een dag lezen en een beetje hangen. Wouter las een boek over mijnheer Messi, een jon
ge Argentijn die iets met een bal kan. Wouter gaat er van uit dat dit boek binnenkort de volslagen onbekende auteur een Nobelprijs zal opleveren. Misschien komt deze verwachting vooral door Wouter’s encyclopedische kennis van de wereldliteratuur. We keken de motorhomo’s na die zich in vele lagen plastic inpakten, allerlei ingewikkelde instrumenten aan en op hun motoren hingen en uiteindelijk, met de moed der wanhoop, op de motor stapten en de plenzende regen inreden. Moedige mannen.
De Duitse Peter had besloten niet langer te wachten op nog meer tegenslagen en ging terug naar Tashkent waar vandaan hij naar Bangkok zou reizen om daar nog twee weken een relaxte vakantie te houden. Wij maakten voor he
m een reisprogramma; beetje cultuur, natuur, mensen, stranden. Hopelijk zit hij nu, aanzienlijk minder teleurgesteld, een biertje te nippen op het strand van Kho Chang met een jongetje of meisje op zijn knie.
Rond een uur of twee klaarde het op en werd het meteen warm, de stad droogde op en wij maakten een wandelingetje. Daan ging de stad door rennen en ik schreef aan dit blog. We deden snack-achtige boodschappen en alles was bedekt onder een deken van lichte spanning voor de Champions League wedstrijd.
Bij het eten kwam Sitora in beeld, zij is een gids die werkt voor het geile bokje, ze is een beetje dikkig, wel lief en werd erg opgewonden van drie mijnheren die in hetzelfde guesthouse verbleven als zij.
Ze begon giechelig, aangemoedigd door het bokje, en werd langzaamaan lacherig, maakte steeds minder verhullende opmerkingen en het bokje vroeg zich af waarom wij dit blaadje niet wilden grazen.
Na het eten spraken Daan en ik met haar verder (Wouter was met de wereldliteratuur bezig). Zij vertelde over het boy meets girl systeem in dit land, hoe zij zich onder de zachte dwang van haar ouders uitwerkte, hoe zij een relatie had die ze aan niemand mocht vertellen en hoe ze de toekomst ziet. Merkwaardig genoeg kwamen wij in die toekomst niet voor... Het moet verwarrend zijn eerst de USSR normen geleerd te hebben, dan de vrijheid in combinatie met het traditionalisme te proeven en nu een steeds grotere moslimdruk te voelen. Dit zijn ingredienten waarin de sexuele moraal zich maar lastig ontwikkelt.
Rond een uur of 11 waren de eerste voetbalbeelden op tv en werd ons prive flesje wodka opengeschroefd en sloten wij de deur van de jongenskamer om daar jongensdingen te doen: voetbal kijken na eerst nog effe een snelle quiz ronde.
Twee uur later hadden we een suffe wedstriijd gezien en vielen wij in een onbevredigde slaap.

Tadjikistan, 21 mei 2010

Vrijdag 21 mei

Om 8 uur stond de chauffeur die we gisteren geregeld hadden klaar. Wij niet. Na dat malle ecquadoriaanse restaurant dronken we nog een klein nipje wodka en de ochtend er na bleek dat die fles bijna leeg was. Wouter was al eerder afgehaakt dus moesten Daan en ik dat in onze onschuld gedaan hebben. We konden het ons beide niet herinneren.
Eerst moesten we in het smerige hotel een Breznjev ontbijt doen bestaande uit vette worst, tomaten, sneue appels, brood van gisteren, Nescafe en koekjes die niet lekker waren. We zaten in ene protserige zaal, krakend parket, veel grauwe vitrage en achter een van de tafels zat de chef kok naar ons te kijken; een dikke man met vet haar in een grauwe buis. Dit zijn erg fijne taferelen voor als je de dag ervoor iets te veel wodka gedronken hebt. Je ervaart het als een verre stad in een vergeten hoek van de Sovjet Unie waar nog niet is doorgedrong
en dat de nieuwe tijd is aangebroken.

In het autootje vertrokken we naar het noorden. binnen een kwartier waren we de stad uit en werden de wegen slecht. Voor het eerst in deze trip was er geen strakblauwe lucht, sterker nog, het begon te regenen. De wegen werden nat, de kuilen en gaten in de weg werden onzichtbaar. Helemaal spannend werd het toen we een pas opreden, een gebied waar nieuwe tunnels gebouwd werden. Door de bouwactiviteiten moesten we om de tunnels in aanleg heenrijden, over één auto brede schapenpaadjes. Sommige nieuwe tunnels waren af, genoeg om auto’s te tolereren. Dat er nog geen licht was was niet zo erg, maar dat er nog geen afwatering in aangelegd was, was lastiger. Door onzichtbare diepe plassen reden we stapvoets, de gaten in de
weg vermijdend. Uit het plafond kwamen dikke waterstralen en in de pikdonkerte waren ook schimmen van mensen aan het werk. Ik ben blij dat ik een andere baan heb die ik langer kan volhouden.
Uiteindelijk kwamen we in een bergachtig en desolaat gebied terecht en sloegen af van de hoofdweg. Over een slingerend bergpad reden we naar het veelbelovende Iskander Kul. De regen nam toe, de chauffeur schudde zijn hoofd, hij wees ons het pad voor de twee uur durende hike naar een top van een berg. Wij schudden het hoofd en besloten alleen een foto te maken van Wouter in een
oranje poncho voor een turquoise meer, in de regen.

Bij de entree van het parkje hadden wij naar een wacht moeten zwaaien, iemand met een slagboom, een pet en een hutje. Wij wilden in dat hutje zitten om de lunch te verorberen omdat het buiten te hard regende. De man had een t
rainingsbroek van gaten aan en een enkellang vest dat er niet zo mooi bij stond. Hij zag er slaperig uit. In het hokje was een onopgemaakt bed, een doos met lege wodka flessen, een klein scheef tafeltje en 4 verschillende stoeltjes. Binnen hing een dikke schapenvet lucht, de zure walm van dronkenmannenslaap en we besloten liever in de auto te eten dan bij onze nieuwe vriend.

Wij vinkten het turquoise meer af en reden weer terug naar de hoofdweg, klaar voor de laatste 4 uur rijden naar Pendjikent. De hele rit reden we langs een rivier, slingerend tussen de bergen door. Er waren bijna geen auto’s op de weg. Er wordt blijkbaar niet veel gebruik gemaakt van de grensovergang van Tadjikistan naar Oezbekistan. Uiteindelijk kwamen we in Pendjikent aan en reden meteen naar het hotel, een vriendelijke mijnheer begroette ons in vloeiend Engels, binnen stonden twee off the road motoren en op de binnenplaats heerste een ontspannen backpackers sfeer. We kregen eten en thee en praatten met de andere gasten. Een vreemde combinatie tussen een Nederlandse homo en een Kazachstaanse homo die elkaar op het internet hadden leren kennen en in hun kennismakings-afspraakje op de motor door Tadjikistan gingen cruisen, een Duitser die lispellend Duits sprak en die vertelde dat hij vooruit gevlogen was en dat zijn vriend met de auto uit Heidelberg achter hem aan zou komen. De vriend was in de knoop geraakt met de grensovergangen en was uiteindelijk niet verder gekomen dan de Turks-Iraanse grens had nog een tijdje staan posten bij de grens van Turkmenistan en was toen maar weer naar Heidelberg terug gegaan. Der Peter zat nu alleen in Pendjikent en vroeg of ie met ons mee mocht, morgen naar de 7 turquoise meren. Selbstverstandlich...
Pendjikent is belangrijk om drie redenen; de nabijheid van de Oezbeekse grens, de mogelijkheid in de omgeving een fraaie hike te maken en omdat er een hotel met een Champions League tv is.
De eerste namiddag in dit stadje gebruikten we alleen om een ommetje te lopen en te constateren dat het een saaie plek is, effe aerobieen op een nat voetbalveld omdat we van doel tot doel wilden kunnen gooien en verder niets bijzonders. Daan maakte een hand vol foto’s van kinderen en een oude man.
Die avond aten we met die malle motorhomo’s, Peter der Deutscher en dan was er nog een irritante Indieer die we niet echt te grazen konden nemen omdat hij een vriend van de huisbaas was. Die Indieer liep naast zijn schoenen, maakte generaliserende opmerkingen (all English are true gentlemen... the French are snobby and you can’t deal with them, we in India, the biggest democracy in the world, we truly know how to manage a country....). Hij sloot het gesprek af door te melden dat hij verwachtte binnen 5 jaar minister te zijn. Dat hij eerst nog even marmeren vloeren moest verkopen in Tadjikistan was een kleine horde op zijn weg naar eeuwige roem. Wij wilden hem in de zeik nemen door hem dubbel en dwars de hemel in te prijzen, maar dat kwam niet aan, hij accepteerde de complimenten met een meewarig hoofdknikje.
De eigenaar van het hotel zat constant te kibbelen met zijn vrouw. Hij was een klein geil bokje en zijn vrouw een statige verschijning met enorme geschilderde wenkbrauwen en een mond vol gouden tanden.
Het bokje maakte sexistische opmerkingen over alles waar een opmerking over te maken viel, vertelde flauwe grappen die ook nog lang duurden en waarvan je allang de clue zag aankomen, maar die toch nog uitverteld moesten worden. Hij had er een vrolijk hoofd bij wat de pijn verzachtte. Na het eten werd de wodka ter tafel gehaald en begon het hakken. Al vrij snel haakten wij af, de volgende dag wilden wij de 7 meren hike gaan doen en wilden niet met een kater door de bergen sjokken.

Tadjikistan, 20 mei 2010

Donderdag 20 mei

De volgende ochtend stonden we vroeg op, althans dat was het plan, omdat we vroeg bij de Oezbeekse ambassade wilden zijn.
Om een uur of half tien kwamen we daar aansloffen en buiten stond een groep mannen en vrouwen in folkloristische kledij. Hoewel zij dat dagelijks doen is het toch leuk om er tussen te staan en een licht carnavals gevoel te krijgen. Het is dan moeilijk om de neiging tot polonaise te onderdrukken. Een kwartiertje later draaide een klein deurtje open en bromde een mijnheer met een goedkoop kunstgebit tegen de mensen dat ze zich netjes moesten gedragen. Ondertussen pakte hij paspoorten, stapeltjes geld en formulieren aan. Elk van deze items verdween in een andere zak van zijn jasje. Hij was niet erg vriendelijk en riep alleen tegen ons: ‘pa ruski... ruski... no english.’ Uiteindelijk werden we als laatsten zijn hokje ingeroepen en vulden de formulieren in. Bij onze formulieren zaten pasfoto’s, de uitnodigingsbrieven, de bewijzen van de tickets, de betaalbewijzen van de hotels (blijkbaar zijn ze bang dat we er illegaal onder eeen bruggetje gaan slapen). De standaardformulieren die wij van het internet gehaald haddden waren niet de goede, die waren tweetalig en wij moesten die in exclusief russisch hebben. We leverden het hele zootje bij het kunstgebit in en werden verordonneerd te wachten. Wachten duurt lang, ook als het kort is. We hadden geen idee hoe lang het zou duren om het visum te krijgen. Als we het vandaag zouden krijgen was dat een reden tot feest. Als het op vrijdag was, dan moesten we wachten totdat het er was en dus nog in ieder geval 24 uur in deze niet heel erg charmante stad doorbrengen. Als het niet op vrijdag zou zijn moesten we een plan hebben om het weekend door te komen (inclusief een Champions League tv) en dan heel erg hard hopen dat we het op maandag wel zouden krijgen.

We hadden dergelijke scenario’s bedacht en waren tot de conclusie gekomen dat er in Tadjikistan wel heel erg veel te doen valt, maar dat dat wel in andere regio’s in het land is dan waar wij waren. Om effe een weekend te killen en ook nog iets te doen dat bijzonder was, zouden we uren in een auto moeten zitten, om dan naar een turquoise meer te kunnen kijken, of een rustiek dorpje te kunnen zien. Die plekken ontbeerden allemaal een infrastructuur voor reizigers. Het gevaar van dit soort reizen is dat je door een gebied rijdt, dat je kijkt naar een berg, een meer of een dorp en dat het als een filmset is. Het verhaal moet je dan nog zelf in die setting maken, maar indien je alleen in een auto zit wordt de setting van die film al snel een dialoog van drie mannen met een chauffeur en de kans is groot dat die dialoog bestaat uit het roepen van slecht uitgesproken plaatsnamen tegen de chauffeur en verder de standaard items: dingetjes over voetbal, over bookkeeping en opmerkingen over wat ze zien: Hé een berg, kijk een ezel, hé een man met een karretje, oeps, een mooie vrouw (x4) en dan weer opnieuw. Het is noodzakelijk om iets te doen in een gebied, dorp of stad om er profiel aan te geven. We waren dus bang dat het tripje naar een turquoise meer niet veel meer zou zijn dan een tripje naar zo’n meer en zagen op tegen een weekend in de regio terwijl het echt mooie van Tadjikistan te ver weg zou zijn om te bereizen.

Na 20 minuten werden wij het hokje van het kunstgebit ingeroepen, hij bulderde wat in het russisch en maakte het oudtestamentische geld gebaar (duim en wijsvinger over elkaar). Wij deden of we dat niet begrepen en kregen onze paspoorten terug: mét de visa voor Uzbekistan. Lichtelijk verbaasd over hoe snel dat gegaan was bestudeerden we de visa’s; we waren blij dat we ze hadden, maar de data klopten niet. Onze vlucht terug vanuit Tashkent naar Singapore en Amsterdam is op de 29-ste en de visa liepen tot de 27-ste. Wij gingen terug naar de bulderbak en legden het uit, er werd een jongen bij gehaald die perfect Engels sprak, die veranderde de data, maakte het geld gebaar, wij haalden de schouders op en liepen met de visa de deur uit.

In een snelle middag deden wij het museum van oude dingen. Daar lag een gigantische buddha, haddden wij gelezen. Er bleek inderdaad een gigantische buddha te ligggen, waar wel een paar kleine stukjes oud van waren, maar de rest van op zijn sovjets opnieuw in elkaar gemacrameet. Een wel erg vrije interpretatie van een ‘oud beeld’. Overigens was dit beeld van dezelfde categorie als de buddha beelden die iets van 10 jaar geleden door de Tabilan in Afghanistan zijn opgeblazen. Het is een prachtige stijl van beeldhouwen. Lord Buddha heeft ineens Indiaas-Afghaanse trekken, is minder spleetogig dan de Oostaziatische varianten en heeft toch zo’n serene glimlach. Maar de setting maakte er iets on-devoots van (hoewel er wel een dikke meloen voor hem geofferd was met een wierookje). Het zaaltje was te klein en de bewaker, die met ons mee liep om voor ons uit het licht aan te doen en achter ons weer uit te doen stamelde steeds in haar mobiele telefoon. Volgens de verhalen zou er ook een beeld van Alexander de Grote moeten zijn. Ik ben op zoek gegaan naar mijn naamgever en kon hem tussen de speerpunten, lelijke ringetjes en potscherven niets vinden. Toen ik er naar vroeg bleek dat ie op een tentoonstelling in Mannheim was. Ik vroeg wanneer hij terug zou komen: ”Next year”, was het antwoord en dat is volgend jaar pas. Ik vroeg ook hoe lang ie daar al was, dat bleek al 5 jaar te zijn. Vervolgens vroeg ik of het zeker was dat ie volgend jaar terug komt en de bewaker zei: “we hope so.” Het beste museum van Centraal Azie heeft dus mooie stukjes aan elkaar geplakte Buddha en een gebrek aan Alexander de Grote en toch houden ze vol dat Tadjikistan een natte droom is voor archeologen.

Daan ging belangrijke dingen doen in het ranzige hotel en Wouter en ik gingen vervoer regelen om de volgende dag de stad uit te kunnen, naar Pendjikent. Onderweg daar heen zou een fraai meer moeten zijn, het Iskandar Kul, genaamd naar Alexander de Grote en binnen een uur of 7 zouden we dan in dat grensplaatsje moeten aankomen. We waren verwezen naar het zuidelijke busstation, terwijl we naar het noorden moesten. Bij dat busstation was niets te beleven behalve vriendelijke jongens die ons een telefoon in de hand duwde waarachter iemand zat die Engels sprak. Die vertelde dat we via deze jongens transport konden regelen voor 1 US$ per kilometer. Wij wilden zo’n 300 km rijden en dat was dus een tikkie duur. Creatief als wij zijn gingen we toch even bij het noordelijke busstation proberen, daar vonden wij talloze mannen die ons voor een vergelijkbaar tarief daar wel heen wilden brengen. Uiteindelijk was er een man die tussen neus en lippen door het geheim verklapte: Nog iets verderop is de cementfabriek, daar staan de long distance auto’s. Dus reden we daar heen en werden omringt door duwende en trekkende mannen met gouden tanden die allemaal hun diensten wilden verkopen. Wij probeerden cool te blijven in de leeuwenkuil. Het enige wat wij konden zeggen was: “Iskander Kul, Pendjikent... how much, which car?” Keiharde onderhandelingen zonder een gemeenschappelijke taal. Inmiddels waren we gewend aan de onderhandelingen via een telefoon. Na een half uurtje was de groep mannen wat uitgedund en bleven er eigenlijk twee kandidaten over. Eén met een heel grote auto, een vriendelijke glimlach en een stevige prijs, en één met een kleinere auto, een schuchtere lach en een lagere prijs. Daarbij had de laatste als pre dat aan zijn telefoon een jongen zat die heel goed duits sprak en vertelde dat zijn vader een hotel in Pendjikent had, en dat bleek het hotel te zijn waar wij wilden overnachten. Dus werd de deal gesloten. Morgenochtend om 8 uur zou hij ons komen halen.
Wouter ging een rondje hardlopen. Ik schaarde mij bij Daan die zijn belangrijke dingen van het hotel, via het park verplaatst had naar het Segafreddo terras. Een half uurtje later kwam Wouter daar ook bezweet aan. Het gesprek op dat terras wilde niet vlotten, voornamelijk omdat er een extreem mooie zwarte amerikaanse vrouw aan het belendende tafeltje zat. Bij zoveel schoonheid verschrompelde de Tadjikistaanse vrouwen tot muffige muisjes en werden wij stinkende reizigers.

Pas nadat zij wegging vertrokken wij ook en schoven laat aan bij een dis in een Mexicaans Ecquadoriaans restaurant. De centraal Aziatische cuisine is geen aanbeveling. Wouter houdt niet van lamsvlees en die penetrante smaakt dringt door in alles. Al is er twee weken geleden in een pannetje een stukje schaap gekookt, nog smaakt het gebakken ei van vandaag naar lam. Dan is de uitvlucht naar Ecquador een voor de hand liggende. We waren de enige gasten in een lege kelder in een buitenwijk.
Veel leuker was het wandelingetje terug, via woonwijken en achterbuurten, door lanen met bomen en eeuwig blaffende honden. Het was allemaal zo gruwelijk vredig. Echt iedereen is aardig en voorkomend, de auto’s toeteren niet, er is geen gespuis op straat, mensen groeten vriendelijk en zijn toch niet onderdanig. Dit is nu al het derde land in serie waar de aardigheid bepalend is. Je zou er bijna achterdochtig van worden.